Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Van Tussenschool tot Ireneschool 2

Opheffing Stads- en diaconiescholen (1845)

Verplicht schoolbezoek

In 1777 wordt de uit de middeleeuwen stammende Grote school opgeheven en vervangen door de Stads- en diaconiescholen. Armlastige ouders zijn verplicht hun kinderen, zodra die de leeftijd van vijf jaar hebben bereikt, ‘behoorlyk gekleed en gereinigd’ naar school te sturen. Ze mogen pas van school worden genomen, als de school daar toestemming voor geeft. Ouders die in gebreke blijven worden gekort op hun uitkering of raken deze kwijt. In artikel 1 van het Reglement van de Stads en Diaconie Scholen te Hoorn is verder vastgelegd dat de kinderen woensdagmiddag naar catechisatie moeten en op zondag naar de kerk.

Voor de jeugd uit gezinnen die niet afhankelijk zijn van de bedeling zijn er in Hoorn andere scholen. In zijn Beknopte geschiedenis der stad Hoorn, verschenen in 1839, schetst C.A. Abbing een rooskleurig beeld van het onderwijs in Hoorn. Hij noemt een Latijnse school, een Franse kostschool voor jongens en een voor meisjes, verschillende goede burgerscholen en een Israëlitische burger- en godsdienstschool.

C.A. Abbing, rector van de Latijnse school in Hoorn
C.A. Abbing, rector van de Latijnse school in Hoorn

 

Oprichting Stadsarmenschool en Stadstussenschool

Rond 1845 zien burgemeester en wethouders van Hoorn zich genoodzaakt de Stads- en diaconiescholen op te heffen en deze te vervangen door een gratis Stadsarmenschool en een Stadstussenschool, waarvoor wel enig schoolgeld betaald moet worden. Het plan heeft de steun van de plaatselijke schoolcommissie maar deze wordt teruggefloten door de brede kerkenraad, die zich fel verzet tegen het opheffen van de Stads- en diaconiescholen.

Op 24 januari 1845 schrijven de commissarissen van de Stads- en diaconiescholen een brief aan burgemeester en wethouders waarin zij ernstig bezwaar maken tegen de voorgenomen opheffing van deze scholen. De commissarissen stellen onder meer dat hierdoor ‘de door velen heilzaam geachte invloed van de NH diaconie op het onderwijs zal worden opgeheven’. Het antwoord van het college laat niet lang op zich wachten.

Financiële draagkracht

Burgemeester Van Akerlaken dient de brede kerkenraad de volgende dag schriftelijk van repliek. In een pittige brief stelt hij dat het besluit om de Stads- en diaconiescholen op te heffen vaststaat. De burgemeester legt (‘nogmaals’) uit waarom deze verandering noodzakelijk is. De gemeente subsidieert nu de Stads- en diaconiescholen van de gereformeerde gemeente. Als een ander kerkgenootschap ook bij de gemeente aan zou kloppen om subsidie voor een school, moet de gemeente dit weigeren, omdat het subsidiëren van meer dan één school de financiële draagkracht van de gemeente te boven gaat.

Burgemeester Van Akerlaken
Burgemeester Van Akerlaken

De gemeente moet, aldus Van Akerlaken, alle kerkgenootschappen echter op gelijke wijze behandelen. Als een nieuwe aanvraag voor subsidie geweigerd wordt, zal dus ook de toelage voor de Stads- en diaconiescholen moeten worden ingetrokken. Dat zou het einde van deze scholen betekenen. Deze situatie wil de gemeente voor zijn, door het onderwijs voor de jeugd uit arme gezinnen onder haar hoede te nemen, zonder bemoeienis van enig kerkgenootschap.

De redenering van Van Akerlaken doet nogal hypothetisch aan maar is, gezien de onrust die er in die jaren in het onderwijs is, niet zo vreemd. Op 2 januari 1842 heeft Koning Willem I een besluit afgekondigd, waarin hij enigszins tegemoet komt aan de bezwaren van katholieken en orthodox-protestanten tegen de inrichting van het lager onderwijs, waarvoor nog steeds de schoolwet van 1806 van kracht is. Religieuze groeperingen krijgen door het koninklijk besluit iets meer mogelijkheden eigen scholen op te richten, maar van financiële gelijksteling is nog geen sprake.