Een drietal stenen dat volgens het Westfries Museum steeds in deze opstelling tentoongesteld is,
daar men uitging van de veronderstelling dat dit trio zich tot 1907 in de gevel van Koepoortsweg 9
bevond. De linker- en rechtersteen tonen respectievelijk een afbeelding van een wapen met een boomstam
met aan weerszijden een opgerichte leeuw (het wapen van Wognum) en een afbeelding van een wapen met
een boom met dorre kruin waarin zich drie vogels bevinden (het wapen van Midwoud). Dat deze stenen
zich in de gevel van Koepoortsweg 9 hebben bevonden is zeker. Of dit ook geldt voor de middelste steen,
waarop een grotendeels zeilvoerende, zeegaande driemaster en het jaartal 1648 te zien zijn, is
twijfelachtig. Waarschijnlijk heeft de gelijkheid in steensoort, maten, aard van bewerking en
oppervlaktestructuur van de stenen tot de genoemde veronderstelling geleid. Door deze gelijke
eigenschappen kan ook gedacht kan worden aan één en dezelfde steenhouwer.
Een directe relatie tussen het schip en de wapenschilden is er niet, maar men zou kunnen denken aan
een reder, schipper of koopman die een binding had met Wognum en Midwoud en die zijn laatste levensjaren
wilde doorbrengen in een (wellicht door hemzelf gebouwd) buitenhuis aan de toen nog landelijke en
lommerrijke Koepoortsweg. Zie voor boomwapens ook
Appelhaven 6 en
Nieuwe Noord 66.
Een gevelsteen waarop twee mannen met een draaibank voor het vervaardigen van zogenaamde kaaskoppen
te zien zijn, gepolychromeerd en voorzien van het jaartal MDXXXIII (1533) en de tekst “Inde
koppe draier”. Om de ronde Noord-Hollandse kaas te krijgen was de houten ronde nap, de kaaskop,
essentieel. De zandstenen steen is afkomstig van het woon- en winkelhuis van F. Oortgijsen, Nieuwsteeg
21. Hij had hier een handel in allerlei gedraaide houten voorwerpen en benodigdheden voor de bereiding
van kaas. Dat laatste was niet zo vreemd, want in de wijde omgeving van Hoorn werd tot in de tweede
helft van de twintigste eeuw op veel boerderijen de kaas nog zelf bereid. Volgens J.C. Kerkmeijer zou
het oude afgebeelde werktuig tot in de negentiende eeuw zijn gebruikt.
De draaierij zelf was, althans in de negentiende eeuw, ook gevestigd in de Nieuwsteeg, vermoedelijk
ergens aan het westelijke eind in een loods. In 1912 werd het pand Nieuwsteeg 21 gesloopt en is de
steen door de twee zusters van de eigenaar aan het Westfries Museum geschonken.
Een steen met een afbeelding van de inrichting van een smidse, waarin de smid en zijn helper hun beroep uitoefenen. Op de achtergrond is nog een derde persoon te zien, waarschijnlijk een vrouw, alsmede het jaartal 1614. Volgens Van Lennep en Ter Gouw (in De Uithangtekens in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd) is de steen afkomstig van het voormalige smidsgildehuis, dat zich ongeveer op de hoek Veemarkt-Paardenmarkt (nu: Noorderveemarkt) bevond. De rol van de smid en zijn helper is duidelijk, die van de derde persoon niet. Deze figuur houdt met één hand op opzichtige wijze een kan omhoog. De aanwezigheid van deze persoon zou ingegeven kunnen zijn door een soortgelijke voorstelling in Leeuwarden. Hier staat namelijk het volgende rijm onder:
Hou Man
Daar is de kan
Wel wijf, de kan is mijn gerijf
Maar wacht je voor de vonken;
Het ijzer heet, moet eerst gesmeet,
En dan daarna gedronken
Na de sloop van het gildehuis in 1882 was de steen uit het oog verloren totdat in 2003 een medewerker van het Westfries Museum hem aantrof op een antiekbeurs in ‘s Hertogenbosch. Deze prachtige gevelsteen is daardoor tevens een mooi voorbeeld geworden van een teruggevonden steen.