Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Brand en brandbestrijding in Hoorn (1/6)

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 52e bundel, pagina 41-53.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1985.
Auteur: drs. W.F.M. Brieffies.

De organisatie vóór de invoeringvan de slangbrandspuit. (1691)

In een artikel in de bundel van 1936 van het Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland' heeft dr. W. Lampen de grote brand beschreven, die Hoorn in 1481 trof. De brand was ontstaan in het St. Claraklooster aan de Noorderstraat. Aangewakkerd door een straffe oostenwind legde hij een groot deel van de stad in as. Dat de ramp zo'n omvang kon aannemen was het gevolg van bijzondere omstandigheden. Aangezien enkele dagen tevoren stadhouder Jan van Egmond Dordrecht had ingenomen nadat hij de stad in brand had gestoken brak er onmiddellijk paniek uit. Naar kroniekschrijver Velius ons meedeelt zouden de burgers hebben geroepen: 'al verraeden, al verraeden, manke Jan (d.i. de heer van Egmond) sal ons die stede afwinnen als hij Dordrecht gedaen heeft!'1. De stadsbestuurders, op dat moment juist bijeen in de Grote Kerk voor de jaarlijkse verkiezing van burgemeesters, lieten direct de stadspoorten sluiten en gaven alle mannen opdracht om zich gewapend naar de hun aangewezen plaats op de stadswallen te begeven. Bevreesd voor een valstrik weigerden ze om de mannen uit omliggende dorpen toe te laten die zich aan de poorten meldden om de brand te helpen blussen. Pas toen ze zagen dat er geen verraad in het spel was durfden ze de wapens neer te leggen en kon het bluswerk beginnen.
In een tijd dat hout en riet de belangrijkste bouwmaterialen vormden kon elke brand uitgroeien tot een katastrofe. Aan de hand van oude kronieken kan men zich een indruk vormen hoeveel plaatsen in het verleden door brand zijn getroffen: Enkhuizen (1512), Medemblik (1517; de hele stad op het kasteel na verbrand), De Rijp (1654; 3 kerken, 2 molens en ongeveer 450 huizen), Jisp (1664; 110 huizen), Oostwoud (1710; 13 huizen), Grootebroek (1750; 32 huizen), Lutjebroek (1763; 48 huizen). De eerste zorg van het stadsbestuur was de veiligheid van de poorters en daarmee van de stad. Het oudste keurboek van Hoorn begint dan ook met een aantal voorschriften hoe men brand kan voorkomen en hoe men hem moet bestrijden2.
Preventieve werking hadden bijvoorbeeld bepalingen om de houten wanden van huizen met leem te bestrijken, houten schoorstenen door stenen te vervangen en het verbod om iets op een fornuis te drogen zonder een emmer water bij de hand te hebben3. De stad gaf sinds 1459 zelfs subsidie aan degene die zijn huis van steen bouwde en met pannen dekte.
Blijkbaar is de subsidie in vergelijking tot de bouwkosten gering geweest en had de maatregel niet het beoogde effect. In 1530 ging men er namelijk toe over om jaarlijks vier gegoede burgers aan te wijzen, die het riet op hun dak door pannen moesten laten vervangen. De regeling is twintig jaar later in die zin veranderd dat alleen nog voor de daken van nieuwe huizen subsidie gegeven werd4. Ook het feit dat ambachtslieden als smeden, smeersmelters, kuipers, wagen- en schuitenmakers verplicht waren om hun werk na de nachtklok te staken en niet te hervatten voor de wachter met zijn hoorn de nieuwe dag had aangekondigd kan men tot de preventieve maatregelen rekenen. Een dergelijk verbod gold ook voor zeelieden die na 8 uur 's avonds op hun schip geen vuur meer mochten aanleggen5.
Soms speelden de keuren in op de actuele situatie. Tijdens de droge zomers van 1556 en 1557 hielden in elke wijk van de stad twee mannen van 9 uur 's avonds tot 5 uur 's morgens de wacht. Om in geval van nood direct te kunnen blussen moest elke poorter 's avonds een tobbe water voor zijn huis zetten. Enkele jaren later, in 1562, deed zich een heel andere situatie voor. Vanwege de overvloedige regen die was gevallen had elke boer de toestemming nodig van minstens 2 van de 4 hooicontroleurs om zijn hooi binnen te mogen halen. Laatstgenoemden gaven daarbij aanwijzingen over het aantal tonnen dat onder het hooi geplaatst moest worden of wanneer de boer het hooi moest keren. Een grote verbetering betekende de instelling van een vuilnisophaaldienst in 1582, waardoor de straten en stegen veel beter toegankelijk werden. Tot dan toe had men het afval eenvoudigweg op straat of in de gracht gegooid. Overigens bleef het de poorters toegestaan om afval achter de dijk te deponeren, al moesten brandbare materialen als hooi, stro en riet, én hete as in zee geworpen worden6. Enkele maanden later breidde men de keur nog uit met de bepaling dat marktkramen verwijderd moesten worden omdat ze een vlotte doorstroming van passanten belemmerden7.
In geval er brand uitbrak was degene door wiens toedoen de brand was ontstaan verplicht om daarvan onmiddellijk door luid geschreeuw op de straat kennis te geven. Op verzuim stond een boete van 3 pond, boven het pond dat hij als veroorzaker van de brand reeds verbeurde. Beschadigde de brand het belendende perceel dan kon hij zelfs voor een jaar uit de stad worden verbannen. Op het eerste gerucht spoedde iedereen behalve de vrouwen, zich naar de brand; de schutters echter verzamelden zich voor het stadhuis op het Rode Steen8. Alleen de smeden en timmerlieden mochten gereedschappen als zagen, hamers en bijlen meenemen. Zij waren belast met het afbreken van de aangrenzende percelen, hetgeen dikwijls nodig was om de brand te kunnen keren. De stad vergoedde in dergelijke gevallen de schade.

 

Alle in de noten genoemde bescheiden bevinden zich bij de Archiefdienst Westftiese Gemeenten in Hoorn.
1 Th. Velius, Chronyk van Hoorn, 4de druk, Hoorn 1740, pag. 123-125.
2 Oud Archief Hoorn (OAH) bergnr. 51. Dit register, aangelegd omstreeks 1424, is een afschrift van een verloren gegaan keurboek. De inhoud mag men dateren kort na het tijdstip waarop Hoorn het recht kreeg om keuren te maken. Zie: M.S. Pols, Westfriesche stadrechten, 's-Gravenhage 1885, tweede deel, pag 16-17.
3 Keur van 31 mei 1581.
4 De keur is verschillende keren opnieuw gepubliceerd: 16 feb. 1565, 7 apr. 1572, 31 mei 1581, 28 apr. 1582 enz.
5 Keuren van 23 dec. 1554 en van dec. 1577.
6 Keur van 4 jun. 1684.
7 Keur van 16 aug. 1684. 8 Keur van 6 aug. 1566.