Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Korenmolen 'De Krijgsman' te Blokker (1/4)

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 44e bundel, pagina 121-128.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1978.
Auteur: G.H. Keunen.

Wie veel met het verleden wordt geconfronteerd kan bemerken dat het hem niet geheel onberoerd laat, maar dat het leidt tot beschouwingen en overpeinzingen waaraan iemand in andere situaties misschien niet zo snel toe komt.

Oude gebouwen zijn méér dan bouwkundige konstrukties met een funktie: op oordeelkundige wijze samengesteld uit hout, steen, ijzer, riet etc.. Het zijn bruggen in de tijd welke verbindingen leggen waarlangs de mens van nu, zij het weliswaar slechts in de geest, toch het verleden kan bereiken.
Het zijn ook min of meer herkenbare en vaste punten, hoe betrekkelijk ook weer, waaraan de mens de tijd van zijn eigen stoffelijk bestaan kan vastleggen: zoals een landmeter nieuwe punten vastlegt aan oude reeds in de plaatsmeting vastgelegde oude bekende punten.
Wie dit gevoelen kent ziet het object van zijn belangstelling heel anders want die voelt en ziet er de tijd en zijn sporen in.
Voor zijn geest ziet hij lang vervlogen geslachten zich dáár bevinden waar hij nu zelf is, hij ziet ze leven en werken en beseft dat de tijd gaat en gaat en dat ook na hém weer mensen hier zullen zijn en dat hij dan inmiddels ook is toegetreden tot het verleden. Maar de materie, de balken, de konstruktie is niet tijdgebonden en was en is en zal ook dán zijn.
Wie zo de monumenten beziet zal ook begrijpen waarom elke restauratie verlies is. Verlies aan authenticiteit, die niet meer terug te brengen is. Om onontkoombare technische redenen moeten echter konstruktiedelen worden vervangen teneinde het gehele object in stand te kunnen houden. Maar die nieuwe balk, al is hij exact gelijk aan die oude die hij moet vervangen, is NIEUW. Maar dat is eigenlijk het enige wat tegen hem is in te brengen.
Hij mist de sporen van het verleden en met de oude balk verdwijnt de faktor tijd en de sfeerproever voelt de leegheid en kilheid ervan.
Maar de troost die hem blijft is de gedachte dat ook hier de tijd, nu te beginnen, zijn werk zal doen. Al is het dan pas door komende geslachten te bemerken. Zo zal het ook zijn ten aanzien van de zo juist gerestaureerde molen te Blokker.

Over het verleden van de koren- en pelmolen 'De Krijgsman', waarschijnlijk een van de hoogste, zo niet de hoogste molen die West-Friesland heeft gekend, is wel een en ander te vertellen. De vorig jaar overleden ir. C. Koeman te Hoorn heeft blijkbaar al eens onderzoek hiernaar gedaan, want de eveneens vorig jaar overleden molenaar K. Laan was in het bezit van een door hem ondertekend historisch overzicht waaraan het volgende is ontleend:

Het eerste bericht over deze eerste molen ter plaatse is van 1602 in een belastingregister. Daarin komt de taxatie voor van het 'huysgen van de Molenaar, met de molen, te samen getimmert in den jare 1602': met de naam van de molenaar Pieter Claasz. In 1633 werd op verzoek van de molenaar een hertaxatie verricht, waarbij de belasting werd gehalveerd.
Een nieuwe bewoner van deze molen wordt genoemd in 1694. Op 4 juli van dat jaar trouwde de zoon van de Schellinkhouter Claas Jansz. Langeberk, n.l. 'Jan Klaasz., jongesel van Schellinkhout, met Aalt Pieters, jonge dochter, woonachtig bij de bangerder Moolen'. Zo kreeg de molen dus een nieuwe baas in deze Schellinkhouter jongeman, die de molenaarsdochter trouwde. Welhaast een eeuw heeft dit geslacht de molen in bezit gehad. Merkwaardig is dat de nieuwe eigenaar, weldra een gezeten burger van Oosterblokker, dan eens naar zijn vader Langeberk werd genoemd en dan weer Molenaar. Op die manier zijn in de 18de eeuw vele achternamen gevormd en veranderd.

Er werden verschillende kinderen in het molenhuis geboren en de molenaars boerden blijkbaar goed. Het oude molenhuis van 1602 heeft gestaan tot 5 juni 1926 en is toen door brand verwoest.

In het laatste kwartaal van de 18e eeuw trouwde weer een buitenstaander, Cornelis Kistemaker, de molenaarsdochter; toen Dieuwertje Berk genoemd. Hij werd een vermogend man en toen beide kinderen na zijn overlijden op 29 april 1778 de boedel verdeelden waren er vele vaste goederen. De dochter, Aaltje Cornelis Kistemaker, kreeg o.a. een korenmolen te Uitgeest, een rog- en witbroodbakkerij te Zwaag en nog veel meer. Haar broer, Klaas Cornelisz. Kistemaker, kreeg de korenmolen met huizen te Oosterblokker, de rog- en witbroodbakkerij te Oosterblokker (deze bakkerij is in 1944 door Jac. v.d. Oord opgeheven), het weiland vóór de molen gelegen in Westerblokker, twee boomgaarden en bessentuinen en nog meer.

De familie Kistemaker heeft de molen een halve eeuw bewoond. In 1822 kocht Teunis van Kleef van hen de molen met bijbehoren. Hij kwam via de Langedijk als molenaarsknecht uit de Zaan; de echte molenstreek.

Opnieuw trouwde de molenaarsdochter, Antje van Kleef, met een buitenstaander, Jan Kok. Deze werd molenaar maar na zijn overlijden trouwde Antje met een zekere Hinke, die weer werd opgevolgd door een zoon uit het eerste huwelijk van Antje van Kleef, n.l. Gerrit Kok. Gerrit Kok werd opgevolgd door Jan Kok (tot mei 1918) en deze weer door zijn oomzegger K. Laan, wiens vader met een dochter van Gerrit Kok was getrouwd.

Tenslotte nog iets over de molen zelf. De tegenwoordige is de derde molen; de eerste, een standaardmolen, stond vlak aan de weg en is omstreeks 1860 omgewaaid. Er is toen nog gecollecteerd voor de fam. Hinke. Er werd een nieuwe molen gebouwd, die in 1896 tijdens een onweer is verbrand. De ouderen herinneren zich nog het zeldzame schouwspel van het draaiende wiekenkruis in de vlammen. Tot zover ir. Koeman.