Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Joden in Hoorn

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 37e bundel, pagina 57-65.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1970.
Auteur: Aaron Poolman.

Hoorn, de voornaamste stad van het oude West-Friesland, moet zich uitbreiden, de industrie vraagt haar plaats. Nieuwe woonwijken volgen. 'Jerusalem' is een van de nieuwe woonwijken. Het is de wijk die gebouwd is achter het 'Weeltje' en achter de plaats waar de voormalige joodse begraafplaats was. Was, want alle graven zijn al overgebracht naar de nieuwe algemene begraafplaats, waarvan men een deel bestemd heeft als joodse begraafplaats. De oude begraafplaats heeft na twee eeuwen zijn taak volbracht. Om wille van de zo noodzakelijke stadsuitbreiding werd de rust verstoord en werd de oude zo karakteristieke begraafplaats geruimd; op het nieuwe kerkhof staan de grafstenen nu in een keurig steriel perk, waar men bijna niet meer tussen de graven door kan gaan. Geen muur meer, geen lijkenhuisje; wie kan zich nu nog ergeren aan deze plek, niemand. De Joden zijn geschiedenis geworden. Het doek is gevallen over een tijdperk van drie en een halve eeuw. Hiermee is een streep gezet onder de geschiedenis der Hoornse Joden.

De oude synagoge te Hoorn
De oude synagoge te Hoorn

Een heel bewogen geschiedenis, die, als wij nu terugkijken, niet zo romantisch is geweest, als wij wel graag zouden horen.
Het verhaal van de Hoornse Joden speelt zich af tussen de oude begraafplaats aan het 'Weeltje' en de gedenksteen met de namen van de in de oorlog omgekomen Joden aan de muur van het stadhuis. Toen het stadhuis nog Ceciliënklooster was zijn de Joden er aan voorbijgelopen, zij liepen langs dezelfde muur waar nu de namen van de laatsten van hen staan gebeiteld. Deze gedenksteen herinnert ons aan de donkerste bladzijde uit de geschiedenis. Wie kent nu nog de namen van de vermoorden; zij zijn een deel van de historie geworden.
In 1630 vertelt ons de Hoornse Cronijkschrijver Velius, dat in 1566 de Vullerswaal gedempt wordt en dat men deze dan 'Jeudje' of 'Jeudestraat' gaat noemen; hij vertelt er nog bij dat er nog wel mensen zijn die van 'Vullerswaal' spreken 1).
Van de eerste Joden die wij in de geschiedenis van Hoorn tegenkomen weten wij dat het vreemdelingen zijn. Spaanse en Portugese kooplieden. Zij zijn dan nog vaak 'maranen', dat zijn schijn-Christenen. Een van hen, Francesco da Costa is zelfs priester, hij is verbonden aan de O.L. Vrouwe kerk 2). Later vinden wij hem terug in Amsterdam, weer bekeerd tot het Jodendom, hij is er lid van de Portugese gemeente. Wij komen namen van deze Portugese en Spaanse Joden tegen in de ladingsregisters van de schepen die op de Oost varen. Ook treffen wij hen aan in de boeken der vroedschap van vóór 1584, bijvoorbeeld Gonzalo d'Almedo, Rodriques Vega en Rodriques Dias; deze namen vinden we later alle in Amsterdam terug. Een halve eeuw later, op 24 maart 1633, ontvangen Moyses en David Franco het Poorterschap; wij vinden dit in de resolutieboeken 3). Twee jaar eerder al heeft een groep Portugese Joden uit Hamburg verzocht om zich in Hoorn te mogen vestigen. Dan laten de burgemeesteren een plakaat verschijnen, waarin de nieuw gekomen Joden uitvoerig wordt voorgeschreven waaraan zij zich hebben te houden.

Alsoo eenige portageesche coopluijden aende magistraat hadden doen aengeven ende versoecken, dat deselve met hunne familien alhier souden mogen comen residerende van Hamburich ende andere plaetsen omme de negotie ende traffijcque van alle westersche handelinge te planten ende sulcx op dien voet geconsenteert zijnde, is sedert de aencompste van deselve natie binnen deze stadt bevonden, dat sich deselve hoe langer hoe meer zijn onderwinden openbare winckel neringe mette cleijne maete ende gewichte te doen, geensins corresponderende mettet voorgeven van de selve naetie ende vercregen comis'sie, waeromme de E. Heeren Burgemeesteren ende Raden deser stadt Hoorn, daer op willende stellen behoorlijcke order ende seeckere limiten waer nae die van de selve natie althans alhier hare residentie genomen hebbende, ende die hier noemaels mochten comen metter wone hen sullen gehouden zijn te reguleren Eerstelijck soo en zullen egeene poortugesen ofte Joden geen huijsen vensteren noch winckelen uytsluijten noch eenigerhande teeckenen voor de selve huijsen verthoonen om mette cleijne maete ofte gewichte eenige waeren te vercopen, nochte oock in anders geene manieren mogen venten ende vercopen, anders dan hier nae henluijden geaccordeert wert.
Namelick dat sijluijden sullen moegen vercopen allerhande specerien cruyden confitueren droguen vygen rosynen corenten, dadelen amandelen tobacq, ende diergelijcke waeren met beslooten deuren ende winckelen mette ponde doch, niet minder als vyffentwintick ponden teffens van elcke der voors. specie met kennisse van de waech ende impostmeester ende selve hunne gerechticheijt betalende.
Ende willende henluijden oock generen met zyden damesten, satijnen flawelen, armosijen taffen ende diergelijcke sydewaeren te vercopen sullen tselve wel moegen doen, met gesloeten deuren ende winckelen alsvooren, doch niet minder als met een geheel stuck teffens ende niet mette elle - doch effen flawelen en satijnen sullen een half stuck teffens moegen vercoopen, maar niet minder, ende mits den pachters van de impost daer op gestelt en daer op te stellen haerluijder gerechticheijt voldoende.
In gevalle die van deselve natie sich bemoeyden met de handelinge van wynen tzij spansch, rijnsche, fransch ofte oock met olije sullen niet minder mogen teffens vercopen, als een pijpe spanschen wijn, een toelast rijnsche wijn, een vath ofte vier oxhooffden fransche wijn, ende een pijpe olije van olyven voldoende d'ordonnantie daer op gemaeckt, en de gerechticheijt die daer aff moet worden betaelt.
Ende soo sich yemandt van de selve natie ter contrarie vervordere te doen, ende eenich der voors-poincten quame te overtreden, sal daer mede datelick vervallen van zijn ofte heurluijder poorters gerechticheijt, omme eenige waeren bij de voors. gewichte meer te moegen vercopen, anders als int gros bij balen packen groote vaten en andere groote parthijen als tot Amsterdam deselve natie toegelaten wert en anders niet.
Aldus gedaen geresolveert ende gearristeert bij de E. Heeren Burgemeesteren dezer stede Hoorn den XXIX Meij anno 1631.

Hieruit blijkt duidelijk dat er van de veel geprezen Hollandse vrijheid weinig over was. Maar die eerste dertig jaren van de zeventiende eeuw zijn van groot belang voor de Hoornse Joden. In 1631 immers is het nog maar zeven tien jaar geleden da ter te Hoorn een opzienbarend proces gevoerd werd tegen een groep mensen die tot het Jodendom waren toegetreden 3). Deze mensen kwamen hoofdzakelijk uit de kringen van Mennonieten, maar er waren ook Hervormden bij. Zij stonden onder aanvoering van Hans Joosten en zijn vrouw Suzanna Thijs' dochter. Deze echtelieden waren reeds aan het einde van de zestiende eeuw tot het Jodendom overgegaan. Bekering tot het Jodendom was in de Lage Landen onmogelijk en daarom trokken zij over land naar Constantinopel, om zich daar in het Jodendom op te laten nemen en om er te huwen volgens de Joodse wet. Vanuit Constantinopel trokken zij naar Damascus. Uit hun processtukken - getuigenverhoren - blijkt dat ze zich door de Hollandse scheepslieden op de hoogte lieten houden van de toestand in hun vaderland. Als ze dan vernemen dat het mogelijk is om in Amsterdam in alle vrijheid als Jood te leven, besluiten zij naar Holland terug te keren en zich in die stad te gaan vestigen. Hans Joosten had in Amsterdam zijn acht jaar oudere vrouw leren kennen, de stad was hen dus niet vreemd. In Amsterdam leven zij onder hun Joodse namen: Abraham Abrahamszoon en Suzanna Sara's dochter 4). Hans Joosten of Abraham Abrahamszoon was enige tijd koster aan de Synagoge Newe Sjalom, hieruit mogen wij wel afleiden dat er contacten waren met de andere Joden. Hij erft in deze periode ook nog een mantel van een van de gemeenteleden.
Als hij hier overbodig wordt trekt hij weg en vestigt zich in Grosthuizen, waar hij koeien gaat houden en een kaasmakerij begint. Hij blijft contacten onderhouden met de Amsterdamse Rabbijn Uri Ha Levie, wiens alias - dat is de niet-Joodse naam - vreemd genoeg Philips Joosten is. Deze rabbijn komt volgens zijn verklaring uit Emden, maar vroeger had hij als geboorteplaats ook Brunswijk opgegeven. Van Hans Joosten weten wij dat hij in Emden geweest is; heeft hij daar al contact met Philips gehad?

Het proces nu, dat in 1614 te Hoorn wordt gehouden, en waarvan de stukken bewaard zijn, laat ons goed zien hoe sterk gelovig deze bekeerlingen tot het Jodendom waren. Hun gedrag wekte een verholen bewondering bij andersdenkenden. Zij disputeerden met predikanten, die duidelijk onder de indruk komen van hun diepe geloofsovertuiging. Als de predikanten op de Sabbath door willen gaan met de discussies weigeren zij dat, omdat ze deze dag niet willen ontheiligen. Vooral het gedrag van Hans Joosten is opvallend, de manier waarop hij antwoorden geeft getuigt van veel moed. Uit zijn verklaringen kunnen wij afleiden dat hij in zijn levensonderhoud voorziet door het maken van boter en vooral kazen voor de 'Jeu de Kercke'. Deze kaas moet dus 'kosher', dat wil zeggen ritueel geoorloofd zijn; dit duidt er op dat hij het vertrouwen van de rabbijnen genoten heeft. Ook moet hij hier een afzetgebied gehad hebben. Een van zijn medegevangenen was Jan Pieterz Cuyne, een gewezen ouderling van de Hervormde Kerk. Wij lezen in de processtukken dat er vragen werden gesteld over de afkomst van deze verdachte en over zijn zoon en diens schoonvader, die ook tot het Jodendom zouden zijn overgegaan. Uit de verhoren blijkt ook dat Hans Joosten en zijn vrouw nooit gedoopt waren en zich daarom ook niet als Christenen beschouwden; zij kwamen beide uit de kring der Mennonieten en daar was de kinderdoop niet toegestaan. Jan Pietersz. Cuyne en zijn familie daarentegen waren wel gedoopt, maar zij hadden zich van de kerk afgekeerd. En dit is geen op zich zelf staand geval, in het archief van de doopsgezinde gemeente te Amsterdam vinden wij een verslag dat door twee broeders aan twee vrouwen gedaan wordt en dat ik hier graag woordelijk weergeef. Hier treft ons de sterke overtuiging van deze mensen.

Den 11 Maij is de Vrouw van Harmen Schoenlapper en de Vrouw van Hans de Cousemaker, die beruchtigt waren van het Jodendom den broederen voorgedragen, als die vele malen aengesprocken ende onderwesen, onbekeerlijck bleven.
Ende nu laetst noch door Nittert Obbis ende Matheus Janszen uit de name der dienaeren aengesprocken zijnde en voor de gemeente gedachvaert om so se Christum niet en verlochenden maer die noch bekenden, gelijck se plegen haer te ontschuldigen en haer belijdenisse te doen, hetwelcke zo se niet en deden, so souden wij et daervoor houden, dat se Christum verlochende, tot antwoort gegeven hebben dat se niet en begeerten te comen, oock niet en begeerten te seggen een, noch ander, maar zij wilde daerin stilstaen ende als netraele houden tusschen beijde, te weten Joden en Christum.
Seijden ook dat wij ons met haer niet veele behoeffden te bemoyen sij hadden ons doch al over lange al verlaten en haar van ons gescheijden, deden dat oock noch.
Is derhalve over haer beijden besloten, haar voor afgescheidene te houden en te stellen daar se haerselve stellen om rede ne voor verhaelt 5).

Dit proces bracht nogal wat beroering; de gevangenen richtten zich met requesten tot de staten van Holland en Friesland om toch maar begrip te vinden voor hun geloofsovertuiging. Ook een burger van Hoorn pleit voor hen, het is de brouwer Hans Balthasar Telvers; hij richt zich tot de raad van de stad met het verzoek de gevangenen in vrijheid te stellen, want naar zijn mening was hun gevangenneming onwettig 6). Het heeft alles niet mogen baten. Op 9 april worden de Proselieten verbannen: zij gaan terug naar Amsterdam. De Portugese en de Hoogduitse Joden echter blijven; zij houden zich zo rustig mogelijk om maar niet op te vallen. Wij willen niet nalaten te vermelden dat een der Hoogduitse Joden, Josephus Duyts, in 1638 tot de Hervormde kerk overgaat; hij wordt zelfs ouderling van de Oosterkerk, in 1660 7). In 1670 bekleedt de Hoogduitse Jood Abraham Tobias dit ambt. Hij onderhoudt nog contacten met Isaac Isaaczoon, wiens zoon Salomon Isaacs, eveneens tot de Hervormde kerk overgaat.
Er blijkt nog een groep Joden te zijn en deze groep lijkt zelfs uitgebreid te worden, want de vroedschap stelt paal en perk aan het toenemen van het aantal Joden en legt de nieuwkomers uit Hamburg vele beperkingen op; hierop wezen wij reeds. Deze Joden woonden op het 'Jeudje' en, later althans, aan de Appelmarkt en dit bewijst wel dat hun sociale omstandigheden verbeterd zijn. Hun sterk onderling contact geeft hen moed. In het jaar 1670 telt Hoorn al 20 Joodse gezinnen. Hierbij behoren natuurlijk niet de gezinnen van hen die tot de Hervormde kerk waren overgegaan. Wij weten niet waar zij hun doden hebben begraven; wel blijkt maar dat is 50 jaar later, in 1721 - dat zij de doden te Enkhuizen te ruste legden 11). Men kan toch moeilijk aannemen dat zij met sterven vijftig jaren hebben gewacht. Zouden de doden uit deze periode misschien buiten de poort zijn begraven op de plaats waar eens een molen stond? Wij hebben hiervoor geen bewijsstukken kunnen vinden, wij kunnen slechts gissen. In 1778 echter krijgt men grond in eigendom voor een eigen begraafplaats. De parnasiem, dit is het kerkbestuur, moet er voor zorgen dat deze begraafplaats aan vier kanten muren krijgt, om toch maar zo min mogelijk op te vallen. Men hoefde niet meer naar Enkhuizen om te begraven, nu had men zijn plaats binnen de eigen gemeente gevonden. Als eerste werd op deze nieuwe begraafplaats Mozes zoon van Abraham begraven 14); op zijn grafsteen staat het jaartal 5537, dat is 1777, en de tekst: 'Hij zal de tranen wissen van uw aangezicht en zal de schande, zijn volk aangedaan wegnemen van de wereld'. Uit het jaartal op de grafsteen mogen we afleiden dat reeds één jaar voor de officiële toestemming op de nieuwe begraafplaats begraven werd.
In de twintiger jaren van de achttiende eeuw trekken wel weer enkele Portugese Joden naar Amsterdam, ook gaan er weer terug naar Hamburg. In Amsterdam behoorden deze Joden tot de gegoede stand; wij komen hun namen tegen bij allerlei stichtingen, zo is ene David Franco lid van een stichting die de kosten draagt van minder bedeelden bij de aanschaf van pruiken. De pruik is dan een teken van welstand en die moet - ook in financieel minder goede omstandigheden - gehandhaafd blijven. Deze stichting droeg de naam 'Gobanz Jesua'. Men kan zich afvragen of er onder de twintig Joodse gezinnen in Hoorn ook proselieten, bekeerlingen tot het Jodendom, waren. Enkele namen doen dat vermoeden, o.a. Abraham Ger Lambertz, moet men dit 'Ger' lezen als 'Guer', hetgeen 'proseliet' betekent? Hebben misschien de afstammelingen van deze Joden hun laatste rustplaats op de nieuwe begraafplaats gevonden? Bij het overbrengen en het ontruimen van de begraafplaats heeft men ontdekt dat er in drie lagen is begraven. In de tweede en in de derde laag vond men een waterput. Deze put moet gediend hebben voor de reiniging der handen, een Joods voorschrift bij het verlaten van begraafplaatsen. In alle lagen zijn resten van graven gevonden; het totale aantal stoffelijke resten dat is overgebracht bedroeg maar liefst 614. Onder deze graven bevond zich dat van Rabbijn Ruben Selig Süssman, die in 1796 stierf, hij was beroemd om zijn grote wijsheid 9). Onder zijn bestuur werd het minhag ingevoerd, dat is een gebruik: iemand die zich met een mes schoor mocht op de hoge feestdagen niet op de ramshoorn blazen. Dit gebruik bleef tot aan de 20e eeuw gehandhaafd. Dit gebruik gold ook te Medemblik en Enkhuizen, waaruit we wel mogen afleiden dat hij groot gezag had.
Deze rabbijn heeft gewerkt aan de oprichting van een Joodse school en van een mikwa - ritueel bad - er zijn nu nog resten van terug te vinden. In 1765 wordt het verzoek van de Joodse gemeente om twee pakhuizen te mogen verbouwen tot Synagoge afgewezen, deze pakhuizen stonden aan de Boterstraat 15). Men was bang dat de Joden te zeer in aanzien zouden komen.
Rabbijn Süssman heeft de opening van de synagoge in Enkhuizen niet meer meegemaakt, wel die in Hoorn aan de Italiaanse Zeedijk.

Hoorn gaat achteruit in belangrijkheid, als havenstad is het allang door Amsterdam verdrongen, het blijft echter zijn glans behouden, het leven is er goed; tegen het einde van de 18e eeuw zijn er ongeveer 50 Joodse families. Als er 1779 een loterij wordt gehouden om de waterwerken rond de stad te verbeteren, zijn er ook Joodse burgers die een bijdrage leveren, we treffen de namen aan van Francesco de Pinto, Duarte, Van Cleef en Van Crefeld. Er is zelfs een groep minder bedeelden die onder de naam 'mazzel Tof' maar liefst 200 loten koopt. Hun namen vindt men terug in de registers van de Joodse gemeente; Portugese Joden zijn er niet meer te Hoorn, zij zijn allen naar Amsterdam en Hamburg vertrokken. Onder de namen die men in 1810 en later aantreft komen de volgende voor: Markus, Deen, Hartog, maar ook Lammert Abrahamszoon en Ger Davidszoon 12), zouden deze laatsten afstammen van proselieten? Als zij een familienaam moeten aannemen dan kiest Lammert Lammertzoon de naam Zeehandelaar, daarmee wordt de grondslag gelegd van de in Amsterdam en nu ook in Israël in hoog aanzien staande familie Zeehandelaar. Het naamgevingsregister is een bijzonder interessante bron. In 1810 vermeldt de Parnasiem, dat zijn de kerkbestuurders, dat er 53 jongelingen zijn; het stuk waarin van dit getal jongelingen sprake is, is ondertekend door Leendert Hartog en Abraham Isaks, de 1 nov. 1811. Zou deze Isaks uit de reeds eerder genoemde familie stammen?
Het valt op dat in deze tijd nog een enkele Portugese naam voorkomt: De Leon en ook nog Calaco Belmonte, wiens graf we op de begraafplaats vonden 14). In het begin van de 1ge eeuw wonen er 45 Joodse gezinnen in Hoorn. Men vindt er allerlei beroepen onder, marskramers, marktkooplieden, dansmeesters en muzikanten. Later, als de gilden zijn opgeheven - het was de Joden immers verboden lid te zijn van een gilde - komen wij ook andere beroepen tegen: er zijn dan onder hen bakkers, slagers, tabakshandelaren en textielwinkeliers, loterij collectanten en schoenmakers.
Een wonderlijke zaak is het verzoek van de Joden om de zaterdagse markt naar een andere dag te verplaatsen, opdat zij dan ook kunnen deelnemen. Dit verzoek wordt ingewilligd, doch niet nadat er hevig verzet is aangetekend door een gedoopte Jood, Marcus de Vries 16). Deze De Vries liet niets na om het de Joden moeilijk te maken, om zijn Christen-zijn maar goed uit te laten komen. Men mag hier wel spreken van 'Jüdische Selbsthass'. Van Marcus de Vries is nog bekend dat hij aan burgemeester Bokhorst verzocht om zijn naam uit de Joodse registers te schrappen; dit verzoek wordt niet toegestaan, maar wel wordt zijn naam gewijzigd in Franciscus Xaverius Johannes de Vries, deze naamsverandering wordt door middel van doorhalingen in het register door de burgemeester bekrachtigd, bij zijn naam wordt aangetekend dat hij tot de R.K. Kerk behoorde. Ook bekend is het geval van de leraar Salomons, die ten onrechte Rabbijn genoemd wordt; hij gaat met zijn gezin tot de Hervormde kerk over. Zo is er in deze twee eeuwen voortdurend een invloed van Joden op niet-Joden.

In het Joodse naamregister vindt men namen terug die nu nog in Hoorn bekend zijn, namen als Deen, De Vries, Mosch, Hartog, Pereboom, Van Nierop en Beltman; wie denkt bij het horen van deze namen er nog aan dat zij eens tot de Joodse gemeenschap behoorden? Uit Hoorn stamt ook de grondlegger van de Amsterdamse textielfirma S. I. de Vries, wiens schoonvader Du Mosch is en wiens portret men kan vinden in het Westfries museum. Een andere echt Joodse naam is Marchand ; alleen de oudere lezers zullen zich deze naam nog herinneren. In de trouwregisters leest men dat de mannen hun vrouwen van ver lieten komen om de Joodse tradities in ere te houden. Men onderhield contacten met de Joden uit heel West-Friesland en daarbuiten en men bewaarde de Joodse traditie. Men leefde het leven van de Jood in de Medine (de provincie), met alle zorgen en vreugde van dien.
Maar aan het einde van de 19e eeuw komt dit alles tot verval, de Hoornse Joden trekken weg naar Amsterdam, het doek valt over een stuk Joodse geschiedenis. Het wordt er voor de weinige achterblijvers minder leefbaar. De deuren van de synagoge worden gesloten, in de jaren '40-'45 wordt de Joodse gemeenschap weggevoerd naar de concentratiekampen. Slechts een enkeling komt terug. Het hart van de gemeente is uitgerukt, het is voorbij.
Dan volgt het laatste bedrijf. De plek waar eeuwenlang de Joden werden begraven, ligt in de weg. Voor de laatste (?) maal worden de Joden verjaagd, maar nu heel keurig, graf voor graf wordt overgebracht naar een nieuwe joodse begraafplaats, een onderdeel van de algemene begraafplaats. Op mijn vraag of hier nog Joden konden worden begraven was het antwoord: 'Tja ... een stuk of drie'. Dit is het einde van een geschiedenis, en het is de moeite waard om er dieper op in te gaan en te zoeken naar de verloren resten. Alles is tot rust gekomen op het Weeltje, daar waar de oude begraafplaats was, groeit nu keurig gras en in het midden prijkt een bord, waarop de nieuwe stadsuitbreiding wordt aangegeven.
Van het Weeltje tot aan de gedenksteen aan de muur van het stadhuis ligt de geschiedenis van de Joden in Hoorn.

Amsterdam, 1970

NOTEN:

1) Theodorus Velius, Chronijk van Hoorn 1630. Vierde en vermeerderde druk, met aantekeningen van Sebastiaan Centen, uitgegeven door Jacob Duyn. Hoorn 1740.
2) Archief der Portugees-Joodse Gemeente.
3) Rijksarchief te Haarlem - Proces Hans Joosten te Hoorn 1614.
4) Gemeentearchief te Hoorn - Memoriael boek van de E. Heeren Burgemeesteren der stad Hoorn 1620-1632, fol. 159 vo. - 160 vo. (Inv. nr. 158).
5) Archief der Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam - Aantekeningenboek der Waterlandse Gemeente 1614.
6) Gemeentearchief te Hoorn - Brief van H. B. Telvers aan de Vroedschap 1614.
7) Gemeentearchief te Hoorn - Doopregister der Hervormde Kerk van 1638.
8) H. Brugmans en A. Frank, Geschiedenis der Joden in Nederland. DJ. 1, Amsterdam 1940.
9) Gemeentearchief te Hoorn - Archief der Joodse Gemeente te Hoorn.
10) H. Beem, De verdwenen Mediene. Amsterdam 1950.
11) Archief der Joodse Gemeente te Enkhuizen (beheerd door de secretaris van de Joodse Gemeen te aldaar).
12) Gemeentearchief te Hoorn - Naamsaannemingsregister, Archief van de Joodse Gemeente te Hoorn.
13) Gemeentearchief te Hoorn - Aantekeningenboek van de Burgemeesters en Vroedschap.
14) Gemeentearchief te Hoorn - Begraafboek der Joodse Gemeente.
15) Gemeentearchief te Hoorn - Memoriaelboeken der Vroedschap 1765.
16) Gemeentearchief te Hoorn - Naamsregister der Joodse Gemeente te Hoorn.