Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn's verleden in vogelvlucht

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 15e bundel, pagina 92-97.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1940.

De veel genoemde kaart van Joost Jans, de oudste mij bekende, geeft in 'n bocht aan het Almere, even bezuiden Zwaech, tusschen wat paden de teekening van een gebouw, dat op een schuur kan lijken. Hebben Zwaech, Wester-Blocweer, Ooster-Blocweer en de meeste ons bekende andere dorpen op hun territoir een kerk geteekend, ten blijke, dat daar ter plaatse moest worden gesproken van een kerspel, een parochie, te Hornae scheen men ten tijde, waarop deze kaart betrekking heeft (pl.m. 1300, meent men) nog niet zoo ver gevorderd.

Niettemin gelooft men het jaar 1316 als stichtingsjaar van Hoorn te moeten beschouwen. Tusschen de meren en moerassen, sinds menschenleeftijden voordien waarschijnlijk reeds door den Westfrieschen Omringdijk van het zeewater afgescheiden, lagen de oude binnendijken, de Zwaagdijk, scheiding tusschen Vier Noorder Koggen en Drechterland, was er daarvan een. Hij begon bij den Schinkeldijk bij Wervershoof, hij eindigde aan den Roosteen. Hij bepaalde den omtrek van een apart eiland, Drachter- of Drechterland, aan de Noordzijde, het andere deel van dit eiland, de Veenhoop, leunde tegen een ander deel van den Omringdijk, met als westelijke en noordelijke grenzen den Spier- en den Bobeldijk.

De Roosteen, of liever de plaats, die we in dit tijdgewricht met dezen naam aanduiden, was als het ware al spoedig voorbestemd, een niet onbelangrijke plaats in het toekomstige economische leven van Westfriesland in te nemen. Bewesten den Rijsdam, (thans Kromme Elleboog) en Keern liep van het westen uit, uit de Leekerplassen en de Baarsdorpermeer een water, dat via Valehen en Achterom aan de Roosteen eindigde, beoosten dezen binnendijk voerde een ander water, ter plaatse van de tegenwoordige Gouw-Nieuwland-Tocht, naar de wateren van den tegenwoordigen Oosterpolder en via een reeds zeer vroeg bestaand overtoom naar de Streeker contreien. Daar aan de Roosteen werd dan ook reeds omstreeks dezen tijd eveneens een overtoom gebouwd, om de scheepjes uit de wateren van de Veenhoop naar het binnenwater aan het einde van de Gouw over te halen, terwijl toen ook reeds een sluis, door den dijk zelf, een verbinding tot stand moet hebben gebracht met de „Haven”.

Afbeelding pagina 93

Deze „haven” was geen ander watertje dan we het nog thans van de verschillende buitenhaventjes kennen, een wat ruime sloot, welke door eenig voorland loopend, de sluis met de zee verbond. Een gedeelte van deze kil is na latere demping met huizen bebouwd geworden, namelijk het huizenblokje tusschen Groote en Kleine Havensteeg, terwijl het andere deel, nu nog bekend als het water langs den Nieuwendam met een boog in zee uitliep. Volgens mededeelingen, gedaan in oude bronnen werd in 1341 deze uitwatering aan de Zuidzijde voorzien van een verhoogde kade voor het lossen van „zee”-schepen. Bezuiden deze kade was nog een vlakte, bestaande uit moeras en rietland, loopende tot waar nu nog het Achter-op-'t-Zand en Visscherseiland gelegen zijn.

Nu iets omtrent de bebouwing. Gaat dan 1316 voor Hoorn's stichtingsjaar door, het staat wel vast, dat aan de eerste steenen huizen van omstreeks dien tijd andere houten gebouwen zijn voorafgegaan. De waarschijnlijk eerst genoteerde stichting van gebouwen te Hoorn is de mededeeling van het doen bouwen van drie huizen door Hamburgsche gebroeders Brouwers, maar het is aannemelijk, dat dit mogelijk de eerste steenen huizen zijn geweest. Hoe lang het „houten” Hoorn reeds vooraf bestaan heeft, zonder dat eenige op schrift gestelde aanteekening hiervan getuigt, is uiteraard niet te zeggen.

Het moment van het ontstaan der geschreven geschiedenis is echter met het jaar 1300 overschreden en diverse berichten bereiken ons na dien tijd in regelmatige opvolging. Omstreeks 1323 moet de eerste kerk zijn gesticht, ze is waarschijnlijk als nagenoeg alle kerken in dien tijd van hout en riet opgetrokken en moet gestaan hebben aan den dijk op het West, ter plaatse waar de dijk een knik maakte.

Omtrent de voormelde sluis, het Oude Noord, het Oost en het West op, hebben we dan de eerste uitbreidingen van Hoorn te zoeken. Het ontbreken van, vooral des winters, behoorlijk begaanbare wegen, de allengs ontstaande wisselwerking tusschen het platteland en de dan allengs opkomende steden, geeft uitwisseling van voortbrengselen, handel, het water van de Gouwen dat naar de Veenhoopdorpen (Achterom} vormen allengs verkeersaderen niet zonder beteekenis. Zoo ontstaat als het ware Hoorn vanzelf. Gekeerd naar de zijde van het opkomende Holland, werd het, evenals Alkmaar, toegangspoort tot een vruchtbaar gebied. Zoo zullen langs het Noord en aan weerszijden van de Gouw bebouwingen zijn ontstaan, die zich naderhand ook over Oost en West uitstrekken. Daarachter was echter nog een tamelijk groot gebied rietland. Oude bronnen vertellen hier alweer het bestaan van een stuk, waarbij Gryette(?) de huisvrouw van Witte Tadeken op haar ziekbed verklaart, dat haar vader Tijdeman Hanneszoon, het erf heeft geschonken, waarop de Kerk staat. benevens „een rietakker oostelijk op het kerkhof tot aan de Begijnen”.

In het vervolg geeft ook Velius ons eenige inlichting. Hij vertelt, dat men in 1369 'n kerk binnendijks ging bouwen, omdat de zee buiten den dijk steeds land wegspoelde. Zekerheid bestaat niet, of de oude kerk aan het West bij het voortwoekeren van de zee, langzamerhand onmogelijk is geworden of zelfs door de zee vernield, wel is zeker, dat de dijk van het West vroeger in geheel andere richting heeft geloopen, hetzij naar Scharwoude, hetzij naar de Galgebocht. In elk geval staat vast, dat de zich in die jaren naar verhouding snel wijzigende omstandigheden een sterke bevolkingstoename tengevolge hadden, een „trek naar de stad” ook hier weer, die de moderne comfort dier dagen, het in gebruik komen van vensterglas en baksteen, op hun geweten hadden.

Velius haalt dan voorts nog een ander bewijs aan, dat buiten de toen begane wegen een belangrijk deel der stad Hoorn nog rietland was. De Zusters van de Derde Regel van St. Franciscus krijgen in 1385 verlof het St. Agnietenklooster (Stadsziekenhuis) te stichten op de poel, welke voor een deel door de stad reeds was drooggelegd en wel onder voorwaarde, dat de priesters de rest zouden droogmaken. Velius doet hierbij de mededeeling, dat de poel zich uitstrekte van de kerk tot de Stadsvesten (Oude Turfhaven).

Reeds op 26 Maart 1357 krijgt Hoorn inmiddels stadsrechten. Het komt er hier op aan, aan dit verleenen van stadsrechten geen onjuiste beteekenis te hechten. In Pols' Westfriesche Stadsrechten vinden we mededeelingen, waarin de oorzaak te vinden is, dat het Westfriesche land, anders dan in andere landstreken, zoo op een eigenaardige wijze, zonder dat het steden behoefden te zijn, met stadsrechten werden beschonken. We willen hier ter plaatse ons van de verklaring onthouden, doch stellen vast, dat we ons het Hoorn van die dagen gerust mogen voorstellen als een echt boerendorp met stallen, varkens en kippenschuren en de daarbij behoorende mestvaalten en ierslooten, vooral naar de zijde van het Achterom, waar het water den verkeersweg bij uitstek vormde met het land van de Veenhoop. Meer naar de Oostelijke zijde volgt vanaf 1385 een steeds voortgaande bebouwing met kloosters, te beginnen in bedoeld jaar met dat van de Broeders van Goeden Wille of des Gemeenen Levens en het Agnietenklooster, en dan in 1400 en vervolgens met verschillende andere. Omstreeks dezen tijd kunnen we het Hoorn binnen de wallen van 1426 (Turfhaven-Veemarkt-Westersingel), als we rekening houden met de erven, volgebouwd denken.

Na deze eerste omwalling van 1426 volgt in 1508 de tweede, welke aan de noordelijke zijde een ruim gebied binnen de muren trok (aan de andere zijde van de Turfhaven tot Achter de Vest en Baanstraat). Vier jaar later, in 1510, wordt ook de driehoek Baanstraat tot Noorderstraat binnen de wallen getrokken. (De laatste ommuring, aan de Oostzijde tot de Oosterpoort, volgde pas in 1576-1577, uit nader te noemen oorzaken.)

Inmiddels heeft ook het rietland ten zuiden van den zeedijk (bezuiden het Oost en het West dus) reeds een belangrijke gedaanteverwisseling ondergaan. Reeds in 1420 werd, midden er door heen, een nieuwe haven gegraven, die we kennen als de Appelhaven (van de Vischmarkt tot de oude „Gevangenpoortsbrug”). Gedurende een tachtig jaar is blijkbaar hiermee aan de behoefte aan havenruimte voldaan. Echter in 1503 graaft men weer een nieuwen tak, vanaf den havenmond bij den Hoofdtoren langs de Oude Doelen tot aan het einde van voormelde haven bij de Gevangenpoort. Van de nu aan weerszijden van den ouden havenmond bestaande haven”lussen” is, als bekend, één nog over, terwijl de andere, door demping van het oostelijk deel der Appelhaven (nu Gedempte Appelhaven en met huizen bebouwd) is teniet gegaan.

Echter, Hoorn zou nog zijn opgaanden tijd krijgen! De oorlog met Spanje en het zoeken der Indische zeewegen bracht in de stad gedurende een vijftigtal jaren ongekende „reuring”. Hoorn was een der eersten, die zich bij „den Prins” aansloot en de overal opgejaagde vloten der Geuzen zochten dekking, waar ze deze maar eenigszins konden vinden. In 1577 komt de vroedschap tot de conclusie, dat de haven te klein is en men besluit een nieuwe te maken, beschermd door sterke fortificatiën. Het was de laatste vergrooting, welke door een muur beschermd werd en ze omvatte, wat het waterwerk betreft de Karperkuil en Vollerswaal en wat de bewalling aangaat, den Buitenluiendijk en Draafsingel tot de tegenwoordige Oosterpoort. Van al deze werken zijn uiteraard alleen de havens nog over (in den vorm van niet zeer schoone grachten), terwijl de herinnering aan den ouden stadsmuur nog voortleeft in de genoemde poort, den muur langs het Baadland en den Hoofdtoren. Al het andere is in de eeuw van het verval met den grond gelijk gemaakt.

Ook aan de andere zijde van den havenmond zou de tijd echter niet stilstaan. Achter den Nieuwen Dam was waarschijnlijk reeds jaren een verhoogd voet- of rijpad aangelegd geworden. In 1648 werd hier, met grond uit de Wester-(Gras)haven een „dijk” opgeworpen, niet zeer hoog, langs welken de erven aan de eene zijde zich uitstrekten tot genoemden Nieuwen Dam en aan de andere zijde naar deze haven afhelden. In 1658 werd het uitbreidingswerk hier voleind met den opbouw van weer een anderen dijk, die van Achter op 't Zand en verkaveling der ingesloten erven voor bebouwing. Zou deze laatste dijk zijn naam, ontleend aan den ouden toestand, „achter op 't zand”, behouden, de eerder genoemde ontving, uit oorzake de omstandigheid, dat diverse Levant-kapiteins en reeders en hun huizen bouwden, den niet minder typischen naam van „Italiaansche” Zeedijk.

Nog een havenwerk van Hoorn moet gememoreerd en wel te meer, omdat het rechtstreeks verband hield met het eigenaardige glorietijdperk, dat Hoorn in zijn geschiedenis mocht meemaken. In het begin van den 80-jarigen oorlog, tusschen 1590 en 1608 namelijk, valt het graven van de haven, aansluitende op de admiraliteitswerven, bezuiden den Buitenluiendijk. Het welvaartstijdperk dier dagen heeft aan Hoorn in korten tijd een uitbreiding gegeven, die het naderhand in de verste verte niet kon handhaven. De admiraliteitswerven zijn met het vervallen der V.O.C. mede in verval geraakt, naderhand gesloopt en uit het moeras van het vroegere uitloopbassin der werven is in 1913 de Vluchthaven „verrezen”, een werk, dat economisch en zeevaartkundig van weinig practische beteekenis is geweest.

De hoofdlijnen van Hoorn's ontwikkeling zijn met het bovenstaande in zoo weinig mogelijk woorden beschreven. In geen enkel opzicht werd gestreefd naar volledigheid. Ook het zien van de hoofdlijnen kan zijn bekoring hebben.

R.