Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

De grote brand te Hoorn in 1481

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 10e bundel, pagina 35-39.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1936.
Auteur: Dr. Willibrord Lampen.

Men heeft wel eens gemeend, dat het maar een uitvlucht of een leugen was, wanneer een middeleuws geschiedschrijver in zijn kroniek vermeldde, dat hij niet genoeg documenten over een of ander onderwerp bezat, omdat ze door brand vernield waren. In een zeldzaam werk van een Engels schrijver, met name Mayne, waarvan de titel vertaald luidt: „De donkere eeuwen” wordt bewezen, dat er in de middeleeuwen zeer veel handschriften en oorkonden verbrand zijn. Dr. Van den Eerembeemt te Nijmegen heeft deze lijst van branden nog aanzienlijk uitgebreid en ik hoop, dat hij ze vroeg of laat eens zal uitgeven. Er blijkt uit deze gegevens, wat Mayne ook wilde betogen, dat de middeleeuwen nog veel rijker waren aan kostbare geschriften dan wij nu weten en dat de naam „donkere middeleeuwen” daarom niet gerechtvaardigd is. Reeds in de achtste eeuw had een priester in Gent in de Betuwe een aardige verzameling handschriften, waarvan een enkel nog bewaard is gebleven. Hoeveel er door brand in West-Friesland is verloren gegaan valt moeilijk te zeggen, maar men kan wel aannemen, dat er bij iedere kloosterbrand verscheidene handschriften aan het vuur ten offer vielen, zoals we dat o.a. weten van de abdij Egmond.

De middeleeuwse huizen waren zeer aan brandgevaar blootgesteld en de blusmiddelen waren zeer primitief. Een stoombrandspuit of een magrirusladder waren onbekende dingen. De huizen waren meestal opgetrokken van hout, riet, en leem, dus zeer brandbaar. Wanneer er dus brand uitbrak, was er groot gevaar, dat een hele straat, ja een groot gedeelte der stad in vlammen op zou gaan. Wij zien hiervan een treurig voorbeeld in de grote brand van Hoorn in 1481.

Op 20 April 1481 was het Goede Vrijdag en kwam men naar oud gebruik in de kerk bijeen om de nieuwe magistraten te kiezen. Plotseling klonk het geroep van brand en kort daarna luidde of liever klepte de klok driemaal tot teken, dat er brand was uitgebroken. Het klooster van Sint Clara aan de Noorderstraat was door het vuur aangetast. Er stond een stevige oostenwind, zodat het vuur spoedig oversloeg naar de overzijde van de straat. Daar stond een huis, waarin blijkbaar een handeltje in brandhout en dergelijke werd gedreven, zodat het vuur er volop voedsel vond.

Bij de ontstane verwarring kwam nog, dat er geroepen werd: „Al verraeden! al verraeden! Manke Jan sal ons die stede ofwinnen als hij Dordrecht heeft gedaen!” Met Manken Jan werd de Heer Jan van Egmond bedoeld, die stadhouder der gravin Maria en later van haar zoon Filips was. Hij maakte zich vooral gehaat bij het innen der zware belastingen, die tot oneenigheden voerden en zelfs tot het beleg en inname van Hoorn in 1482 en later tot algemene muiterij en oproer. Kort voor de brand van Hoorn had Jan van Egmond ook Dordrecht geplunderd en zo vreesden de raad en burgemeester nu eveneens gewelddaden. Burgemeester Volkert Meliszoon liet dadelijk de poorten sluiten en beval, dat een ieder zich naar de kade zou begeven en zijn hoefslag 1) bezetten.

Niemand mocht naar de brand tenzij de geestelijken en de vrouwen; de gewapende mannen moesten alle naar de vest en de Rode Steen. Later had men bepaald deze brand op het oog, toen de volgende keur gemaakt werd, 21 April 1528:

Wye in tyden van vyanden ten brande sullen loepen.

„Item in gherucht van vyanden soe sullen totten brande loepen priesteren, die monicken, baghynen, die smeden, die draghers ende vroupersonen sonder heucken (kappen, falies). Ende die burgheren sullen ter veste elcx op sijn hoefslach loepen, op een boet van een Ka(rolus) gulden.” 2)

Over deze verordeningen ten opzichte van brand straks nog een en ander. Laten wij eerst zien, hoe deze brand afliep. De stadspoorten waren dus gesloten en natuurlijk kwamen de boeren van buiten naar de stad, tevens om te helpen de brand te blussen, want door het luiden der klokken en door boden was het gerucht van brand spoedig verbreid. De poortwachters wilden de boeren echter aanvankelijk niet in de stad laten, vrezend, dat zij in dienst van den Heer van Egmond stonden. Door dit talmen nam de brand een dergelijke omvang aan, dat ze niet meer te stuiten was. Een groot deel der stad ging aldus in vlammen op en menig burger verloor het weinige wat hij bezat en waarvoor hij jaren lang gewerkt had.

Velius beschrijft in zijn Kroniek van Hoorn 3) aldus, welk gedeelte der stad afbrandde: „De heele west-zijde van 't Noord brande gansch af, van de Noorderpoort af tot aen de Jan Oomkenssteeg toe, dat nu de Geldersche steeg is, met de gantsche Burgwal en Verke-merkt en alle de stegen tusschen beyden, mitsgaders 't Smerighorn aen weder zyden tot aen de Wester-poort. Aen de voorsz. Jan Oomkens-steeg werd hy niet sonder groote moeyten gekeert: want als men nu merkte, dat er geen verraed onder was, liet men de Landt-lieden in en de Burgers zelfs leyden de wapenen neer en deden alle vlyt om den brand te uyten.”

De Clarissen hadden intussen met behulp van gedienstige helpers of liever helpsters de brand in het klooster weten te blussen. De gevels van de huizen aan de overkant werden met brandhaken neergehaald om te voorkomen, dat door het vallen verdere ongelukken zouden gebeuren. De streek waar de brand gewoed had, werd nog eeuwen daarna de Rode Hel genoemd.

De brand was in zich reeds erg genoeg, maar werd bovendien aanleiding tot het opleven der oude burgetwisten tussen Hoeksen en Kabeljauwsen. De Kabeljauwen in Hoorn, de partij der kooplieden en reders, die de graven van het Bourgondische huis aanhingen, omdat deze de handel bevoorrechtten, deden de Hoeksgezinde regenten het verwijt, dat zij de schuld waren van de uitbreiding van de brand, omdat zij de mannen te wapen hadden geroepen in plaats van hen naar de plaats des onheils te laten gaan. De Hoeksen, tot wie vooral de kleine burgers, loonarbeiders en enkele grondbezitters behoorden, verweten de Kabeljauwen, dat zij de oorzaak waren, omdat ze herhaaldelijk aanslagen pleegden op de stad en haar vrijheden. Twee dagen na de brand ging weer het gerucht van zulk een aanslag, doch ook nu was het weer een loos gerucht. Helaas zou het volgende jaar 1482 de soldaten van Jan van Egmond en Lalaing binnen Hoorn zien, waar zij kerken en kloosters plunderden en de huizen der poorters verwoestten, terwijl ze het vee en huisraad stalen en voor een spotprijs verkochtten. 4)

Nu mogen nog enkele opmerkingen volgen naar aanleiding van het boven reeds vermelde keurboek van 1528. De bepalingen over brand en brandgevaar zijn hier veel uitvoeriger dan in het oude keurboek. Reeds vroeger had men enkele voorzorgsmaatregelen genomen om het gevaar van brand te beperken, maar na de grote brand van 1481 meende men terecht ook speciale voorschriften te moeten geven aan de conventen of kloosters. Werd er dus voorgeschreven, dat ieder huis een leren emmer moest hebben, die nergens anders voor mocht gebruikt worden dan om brand te blussen, voor de conventen was één emmer niet genoeg. Vandaar de volgende keur 5):

Van den conventen emmers te houden.

„Item sinte Marien, sinte Kathrynen, sinte Gheertruden, sinte Agnieten ende sinte Cecilien conventen sullen elcx onderhouden twalof leeren emmers. Ende die conventen van sinte Claren ende Marien Magdalene elcx thien leeren emmers, op een boet van vijf stuvers. Ende die vijf conventen voirsz. sullen oec hebben elcx een zeyl ende een troch, op die boete voirs.”

Men ziet hieruit, dat het klooster van Sint Clara niet zo groot zal geweest zijn, daar het minder blusmateriaal nodig had dan de eerste vijf en geen brandzeil of waterkuip. Een eigenaardige bepaling is die nopens het gebruik der brandemmers. Wanneer de brandklok luidde, was iedereen verplicht de leren emmers op straat te werpen op boete van vijf stuiver. Wie deze boete gering mocht vinden, verwijs ik naar een post in de rekeningen der stad Hoorn, waaruit blijkt, dat Burgemeesteren in het jaar 1464 op het raadhuis der stad drie stuivers verteerden, terwijl zij een aanzienlijken gast hadden, den heer van Charlois. Later kostte eenzelfde fuif twee stuivers en een half 6). De koopkracht van het geld was toen dus zeer groot.

De organisatie van de brandweer in Hoorn was in die tijd nogal goed. De stad was verdeeld in acht hoofdmanschappen, die blijkbaar elk een soort brandmeester hadden. Dan was er nog een emmermeester, die te zorgen had, dat ieder na de brand zijn emmer weer terugkreeg en wel gerepareerd, zo er schade aan was ontstaan. De schout hield nu en dan schouw over de brandblusmiddelen en deze schouw werd vooraf in de kerk aangekondigd. De kerk was de plaats, waar iedereen destijds kon worden aangetroffen, althans op Zon- en feestdagen. Op het bouwen en inrichten der huizen werd te Hoorn goed gelet en zo mogelijk zocht men te bewerken, dat er geen rieten daken meer werden gemaakt.

Wij zagen hierboven, dat de geestelijken en enkele andere personen naar de brand werden gezonden en de gewapende burgers naar de vesten. Dit is wel te verklaren uit het feit, dat de geestelijken volgens het kerkelijk recht geen wapens mogen en mochten dragen, althans niet strijden. maar misschien is er nog een andere verklaring in verband met n. 11 van het nieuwe keurboek 7):

Van gheestelijcke personen niet te scoffieren in den tijt van brant.

„Item soe wye eenyghe gheestelijcke personen die te brande comen, ontamelijcke toespreken, sal men corrigeren nae gheleghentheit der saken ten exempele van eenen yghelycken.”

Waarom, zo vraagt men zich af, wordt juist bij brand verboden een geestelijke te beledigen; dat is immers altijd verboden geweest. Er moet dus wel een bepaalde reden voor zijn. Mr. Pols meent, dat men liever had, dat de geestelijke personen te huis bleven 8). Doch waarom? De veronderstelling ligt voor de hand, dat men de geestelijken bij brand bijzonder nodig had en dat daarom de magistraat wilde voorkomen, dat de priesters dan werden lastig gevallen. Waarvoor men hen nodig had, is misschien niet zo duidelijk. Bij de uitgebreidheid van een brand als die van 1481 werden er allicht burgers zwaar gewond en zo was hun geestelijke hulp dan zeer gewenst. Bovendien, maar dit zeg ik slechts met een vaag vermoeden, geloofde men misschien destijds, dat de priester de macht had de wind te keren bij brand om zodoende andere huizen voor het vuur te redden. Dit vermoeden steunt op een volksgeloof in de min of meer wonderbare kracht der reliquieën van de H. Agatha, die de stad Catania door haar sluier tegen het vuur zou hebben beschermd. Wanneer een priester dus een reliek der H. Agatha bezat, zo meende men, kon hij het vuur stuiten, althans zijn kracht inperken.

Door deze en andere keuren zocht de stad Hoorn het brandgevaar, dat haar zo grote schade had toegebracht, in het vervolg te voorkomen of te beperken. De brandkeuren zijn in het nieuwe keurboek 49 in getal, terwijl de kleinere steden er geen of bijna geen bezaten. De oudste dezer keuren zijn ontleend aan die van Medemblik, maar de les der geschiedenis heeft Hoorn ter harte genomen en gezorgd, dat de veiligheid der burgers door het vuur niet roekeloos kon belaagd worden. Het welzijn der burgerij moet terecht het doel ener goede regeering zijn. Hoorn heeft dat reeds in oude tijden begrepen.

Nijmegen.
Dr. Willibrord Lampen.

 

1) Hoefslag was dat gedeelte van een kade of dijk, dat aan een hoeve tot onderhoud was aangewezen.
2) Nieuw Keurboek, no. 6 (West-Friesche stadsrechten, uitg. mr. M. S. Pols, II ('s‑Gravenhage 1885) 75.
3) Hoorn 1740, 124.
4) Dr. P. Koster, Hoorn in de middeleeuwen. Amsterdam 1929, 81.
Het verwondert mij, dat dr. K. niet over de brand van Hoorn spreekt, die toch zo veel economische ellende over de stad bracht.
5) Nieuw Keurboek, n. 18 (Pols, blz. 78).
6) B. A. Pelmpen van Balen, in wetenswaardigheden uit de geschiedenis van Noord-Holland, Hoorn 1843, 87.
7) Pols, blz. 76.
8) West-Friesche Stadsrechten, I ('s-Gravenhage 1888) blz. CLXV.