Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Een veel gestelde vraag

Wat is 'op vlucht bouwen?'

fotoEén van demerkwaardige verschijnselen in de historische architectuur van vooral de 17e eeuw en 1e helft der 18e eeuw is het vooroverhellen van vooral de voorgevels van woonhuizen. Ook in Hoorn heeft zich dit fenomeen voorgedaan en bij vele gevels is dat nog steeds herkenbaar. Wellicht door zijn opvallendheid en de verscheidenheid in opvattingen over de achtergronden ervan, blijkt deze bouwwijze nog steeds een vaak besproken fenomeen. Dit doelbewust voorover hellend bouwen van gevels wordt in vakkringen aangeduid met de term "Op vlucht bouwen". In bouwtechnische zin is er in dit verband dus geen enkele relatie met het vooroverhellen van de gevel wegens verzakking van de gevel(-fundering). "Op vlucht" is afgeleid van het werkwoord "vliegen". Er werd ook wel gesproken van een "vliegende gevel", maar deze term is in onbruik geraakt.
Nog in het begin van de 16e eeuw bestonden de meeste woonhuizen nog uit houtbouw op basis van het z.g. houtskelet met weliswaar dikwijls al stenen zijmuren wegens keuren (verordening, wet) ter bevordering van brandpreventie. De voorgevels bestonden nog steeds uit een dichtzetting van verticaal houten delen (planken), genageld (gespijkerd) tegen regelwerk en stijlen. Dit geheel was weer bevestigd aan het houtskelet. De verhoudingsgewijs hoge onderpuien daarvan bestonden meestal uit een samenstel van glas-in-lood raamwerk. De verdiepingen overkraagden (staken uit over) de eronder liggende verdiepingen. Naar men aanneemt dienden de overkragingen vooral om de kwetsbare glazen puidelen met hun versieringen van hemelwater te vrijwaren. Daarbij, niet als opzet, was ook enige ruimtewinst meegenomen wegens de iets doorlopende vloerdelen boven de openbare straatruimte. Keuren van Amsterdam en Rotterdam hanteerden een overkragingsmaat van één Leidse steen, is 7 duim = 18cm per overkraging. Voor "op vlucht bouwen" gold een maat van 4 duim op een roede = 2,5 cm op een meter. De ontwikkeling van de verstening van de houten huizen liet zich vervolgens zien in vervanging door een stenen voorgevel. Onduidelijkheid bestaat er over de rol van de overheid, die zij heeft gespeeld in de bevordering van deze vervolgaanpassing. Duidelijk is wel, dat de overheid hier welwillend tegenover stond.
Een samenspel van vermindering van brandgevaar en een nieuw moderniserend architecturaal modeverschijnsel in het stadsbeeld, zal voor haar immers zeer welkom zijn geweest. Over stenen gevels op vlucht zijn geen keuren bekend. In de praktijk begrepen de bouwers haast vanzelfsprekend, dat stenen gevels wegens materiaalgewicht niet onder een groter verhang dan die van houten gevels aan het houtskelet kon worden bevestigd door middel van de toenmalige muurankerconstructie.
Vervanging van houten puidelen door stenen puidelen op de overkragingspunten was door hun gewicht niet goed mogelijk. Slechts òp de zware puibalk van de begane grond zou een 1/2-steens gevel van hooguit en dan in doorgaande lijn twee verdiepingen geplaatst kunnen worden. Deze gevels treft men nog steeds aan in de oude binnensteden. De begane grondpui staat dan "te lood" en boven de puibalk het stenen geveldeel "op vlucht".
fotoHet bovenstaande geeft eigenlijk de oorsprong van het op vlucht bouwen al aan. Een stenen gevel moest wel in één rechte lijn langs de verdiepingen worden opgetrokken en wel buiten langs de "uitstekende" vloerdelen, die de overkragingen vormden. "Op vlucht bouwen" komt direct dus voort uit de nog middeleeuwse overkragende houtskeletconstructie en dus niet uit de hieronder genoemde "meegenomen" voordelen.
Kennelijk zag men het als een nadeel de uitkragende gedeelten van de vloeren te verwijderen, zodat een "te lood" staande gevel geplaatst kon worden. Het zouden tevens drie meegenomen voordelen kunnen opleveren: geen aanpassing van houtskelet/vloer, minder hemelwaterbelasting van de gevel en minder ruimteverlies op de verdiepingen. Overigens zou het niet mogelijk zijn geweest, vooral in het westen des lands, de fundering of voeting straatwaarts te verplaatsen. Dit zou immers ten koste gaan van de openbare ruimte met zijn dikwijls smalle straatjes. Keuren omtrent rooilijnen verhinderden dit. Aan de achterzijden golden meestal geen rooilijnbeperkingen, vandaar dat achtergevels of -erven in oude binnensteden dikwijls een zeer grillig en rafelig patroon vertonen. Meer in het zuiden van het land, bijv. in 's-Hertogenbosch, hield men een tussenpositie aan. Iets straatwaarts op een hernieuwde voeting een te lood staande gevel en die de bovenste verdieping "afkapte".
In Maastricht bijv. werd, mogelijk door een ruimere stratenstructuur, wel naar de straat toe uitgebouwd en waarop een verticale nieuwe gevel geplaatst met verlenging van de vloeren behalve de bovenste.Later werden ook gevels op vlucht gebouwd vanaf de fundering bij nieuw te bouwen huizen tot wel eind 18e eeuw. Hierbij ging het louter om een architectonisch en optisch effect. Voor iemand die zich bevindt voor een naar vorenhellende gevel komen gevelvlak en gevelmassa groter en indrukwekkender over dan een verticale gevel.

Tekst: Henk Overbeek

Foto's: Frans Kwaad


<< Terug naar het gestelde vragen overzicht

 

Redactie "veel gestelde vragen": Diana van den Hoogen, Hoorn