Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Jan Martsz. Merens (1574-1642)

Personalia

Jan Martsz Merens
Jan Martsz. Merens
1618, geschilderd door Jacob Waben

Ook genoemd: Jan Martsz. de Jonge of Jan Maertensz Merens.
Geboren: 14 januari 1574 te Hoorn.
Overleden: 22 november 1642 op hofstede Groenewoud onder Baarn.
Zoon van: Jan Martsz. en Maria Verduyn.
Getrouwd: (1) 20 juli 1603 te Hoorn met Aeltje Beverwijck, geboren rond 1584, overleden 24 november 1607 te Hoorn. Uit dit huwelijk twee kinderen.
Getrouwd: (2) 3 maart 1613 te Hoorn met Maria van Segwaert, geboren 22 juli 1586 te Dordrecht, overleden 25 juni 1638 te Hoorn. Uit dit huwelijk zes kinderen, van wie drie vroeg gestorven. Het tweede kind dat volwassen geworden is, is Meyndert Merens.
Adressen:
Baadland 1612-1617, Turfhaven 1617-1621, Grote Oost vanaf 1621.
Buitenverblijf: Hofstee Groenewoud bij Baarn.
Beroep:
- Koopman, reder (eigenaar schip de Hagedisse 1614, hoofdreder met neef van twee Westindiëvaarders: d'Oranjeboom en de Eendracht).
- Landeigenaar, veehandelaar.

Functies in Hoorn:
- Vaandrig bij de schutterij, 1601.
- Kapitein bij de schutterij, 1606.
- Lid vroedschap, 1603-1618.
- Schepen, 1604, 1606, 1611.
- Huiszittende-armenvoogd, 1605.
- Burgemeester, 1612, 1614, 1617.
- Kerkmeester, 1613.
- Weesmeester, 1615, 1616.
- Bewindhebber VOC, 1619-1642.

Bovenlokale functies
- Lid van de Gecommitteerde Raden van Holland in het Noorderkwartier,1615-1617.
- Heemraad van de Beemster, 1622, 1623, 1625.
- Afgevaardigde VOC te Londen, 1629-1634.

Levensloop

Leertijd en reis

Jan Martsz. Merens werd geboren na het overlijden van zijn vader. Hij kreeg de voornaam en het patroniem van zijn vader. Zijn moeder zorgde ervoor dat hij een gedegen opleiding volgde. Ze stuurde hem op dertienjarige leeftijd naar de Latijnse school in Haarlem. Daarna leerde hij in Amsterdam het ambacht van lakenbereiding en het vak van lakenhandel, de bedrijfstak waarin de familie van zijn moeder haar geld verdiende. Van oktober 1594 tot juni 1597 was hij in Lissabon om handel te drijven. Vermoedelijk betrof het een leertijd bij een bevriend handelshuis. Van november 1599 tot mei 1600 bekwaamde hij zich in Calais in de wolhandel. Meteen daarna maakte hij ter afsluiting van zijn opvoeding, zoals vele jonge mannen uit betere stand, de grand tour, d.w.z. een reis door Frankrijk, Italië en Duitsland. Op 7 oktober 1600 was hij weer thuis. Tijdens deze reis maakte hij aantekeningen die hij later tot een dagboek uitgewerkt heeft, dat in de familie bewaard is gebleven.

Tijdens zijn verblijf in Lissabon was er nog een gerechtelijk proces gaande dat zijn moeder en hij in 1593 voor het Hof van Holland hadden aangespannen. Zijn moeder was in 1591 hertrouwd met de weduwnaar Cornelis van Berkhout. Jan was verliefd geraakt op Geurt, de bastaarddochter van Cornelis, en had haar een trouwbelofte gedaan. Zijn moeder was tegen dit huwelijk, maar legde zich bij het feit neer, omdat ze dacht dat ze er toch niets tegen kon ondernemen. Toen ze echter van Jan hoorde dat hij de belofte had gedaan onder voorbehoud dat zijn moeder met het huwelijk instemde, trok ze haar toestemming in. Haar echtgenoot en zijn dochter eisten dat het huwelijk doorging, waarop zij en Jan in 1593 naar het Hof van Holland stapten. In 1596 stelde het Hof hen in het gelijk.

Politieke functies

Na terugkeer in Hoorn hield Jan zich niet bezig met de lakenhandel, maar wijdde hij zich aan het beheer van de landerijen van de familie. Hij behoorde tot degenen die in 1607 een octrooi kregen voor de bedijking van de Beemster. Hij staat samen met een neef geboekt voor 50 morgen. Bij de verkaveling in 1612 was hij een van de honderddrieëntwintig ingelanden. De oppervlakte van de hem toegewezen grond is dan 62 ½ morgen. In 1615 kocht hij er nog 5 morgen bij, een vierde deel van een akker die hij al voor drie kwart in zijn bezit had.

Nadat hij in 1603 lid van de vroedschap was geworden, kwam hij in aanmerking voor het bekleden van belangrijke ambten in het openbare leven. Daarnaast nam hij zitting in diverse commissies in Hoorn, bijvoorbeeld in een commissie die in 1606 de oprichting van een West-Indische Compagnie voorbereidde. In 1615 was hij lid van een commissie die met hulp van deskundigen een oordeel moest geven over de rechtzinnigheid van twee predikanten die er remonstrantse opvattingen op na zouden houden. Deze commissie was door de vroedschap ingesteld in een poging de verschillen van mening binnen de gereformeerde kerk te overbruggen. Als gecommitteerde raad maakte hij vaak deel uit van de delegatie die de vergaderingen van de Staten van Holland in Den Haag bijwoonde.

Leed bleef hem niet bespaard. In 1605 kreeg hij met een ernstige ziekte, de kinderpokken, te kampen. Sindsdien was zijn gezicht geschonden. Twee jaar later overleed zijn vrouw, met wie hij in 1603 in het huwelijk was getreden, in het kraambed.

Ruim vijf jaar later trouwde hij met Maria Segwaert. Door dit huwelijk werden Jan van Foreest, François van Bredehoff en later Albert Sonck, leden van voorname families, zwagers van hem. Rombout Hogerbeets, pensionaris van Leiden, die in1618 op slot Loevestein gevangen heeft gezeten, was een aangetrouwde oom van Maria. Drie brieven van hem aan Jan, geschreven tijdens zijn gevangenschap, zijn bewaard gebleven.

Breuk in zijn carrière

Aan de politieke carrière van Jan kwam abrupt een einde in 1618. Al enige jaren was er binnen de protestantse kerk onenigheid tussen de aanhangers van Arminius en Gomarus. Het belangrijkste twistpunt was de predestinatie, de voorbeschikking van de mens. Het geschil mondde uit in een politieke strijd, waarin prins Maurits de zijde van de gomaristen, de contraremonstranten, koos. In 1618 kwam de prins naar Hoorn om de wet te verzetten, d.w.z. hij ontsloeg de vroedschapsleden die aan de kant van de arminianen, de remonstranten, stonden. Jan Martsz. Merens, een voorstander van tolerantie en eenheid binnen de kerk, werd ontslagen. Dat hield in dat hij ook geen andere stedelijke ambten meer kon uitoefenen. Zijn bestuurlijke kwaliteiten zette hij verder in als bewindhebber van de VOC en als heemraad van de Beemster.

In 1620 speelde zich een onaangenaam incident af. Bij de monstering van de bemanning van een Oost-Indiëvaarder hadden de VOC-bewindhebbers flink gedronken. In een verhitte discussie over de gebeurtenissen van de laatste jaren had Jan het opgenomen voor raadpensionaris Van Oldebarnevelt en uitgeroepen dat deze als een vroom patriot gestorven was. De schout vond het nodig deze opmerking door te brieven zowel aan prins Maurits als aan het Hof van Holland. Het gevolg was dat Jan werd gesommeerd voor beiden te verschijnen. Zolang er geen uitspraak over het vergrijp was, moest hij in Den Haag blijven. Uiteindelijk schreef hij een brief aan de prins met een verzoek om pardon. Hij kreeg te horen dat hij naar Hoorn mocht terugkeren, mits hij zich daar rustig gedroeg en beloofde te zullen terugkomen, als het Hof dat nodig achtte. Na enige bedenktijd aanvaardde hij de voorwaarden, een diepe vernedering voor hem.

Verblijf in Londen voor VOC

In 1629 stemde hij na aandringen van de andere VOC-bewindhebbers erin toe, deel uit te maken van de afvaardiging die de VOC naar Londen stuurde om te onderhandelen met de Engelse Oost-Indische compagnie. Aanleiding was de Ambonse kwestie. In 1623 hadden de Hollanders op Ambon twaalf Engelsen ter dood veroordeeld, omdat zij een samenzwering tegen de VOC op touw zouden hebben gezet. Aan tien van hen werd het vonnis onmiddellijk voltrokken. De Engelsen eisten genoegdoening. Om de eisen kracht bij te zetten, had de Engelse koning in 1627 beslag laten leggen op drie rijk beladen VOC-schepen. De onderhandelingen verliepen traag, ze duurden van maart 1629 tot oktober 1634. Dit betekende dat de Nederlandse afgevaardigden lange tijd in Londen moesten verblijven. Alleen van 15 april 1630 tot maart 1631 was Jan in Holland, omdat de onderhandelingen helemaal waren vastgelopen. Tijdens zijn Londense jaren zocht zijn vrouw hem drie keer voor langere tijd op, vanaf april 1632 zelfs haast een jaar. Ook drie van zijn kinderen waren enige tijd in Londen. In oktober 1634 brak het gezantschap de onderhanddelingen af zonder dat er enig resultaat geboekt was. Pas in 1652 bij de Vrede van Westminster zou de zaak geregeld worden. Althans voorlopig, want de Engelsen zouden nog meerdere malen op de kwestie terugkomen.

In Londen heeft Jan niet alleen voor de VOC onderhandeld, maar ook zaken voor zichzelf gedaan. Hij ondertekende op 16 september 1634 een contract voor levering van fokvee naar Boston. Eind april 1635 is het vee daarheen verscheept en op 3 juni kwam het daar aan.

Jan Martsz. Merens overleed op achtenzestigjarige leeftijd op zijn hofstede Groenewoud bij Baarn. Hij werd bergraven in de Grote Kerk in Hoorn.

Voor familierelaties: zie familie Merens.

Bronnen
Hoofdbron
- Merens, Allard, 1957, De Geschiedenis van een Westfriese regentenfamilie. Het geslacht Merens , Martinus Nijhoff, 's- Gravenhage,, pp. 51-97

Verdere bronnen
- Beemster Buitenplaatsen
- Abbing, C.A.,1841, Geschiedenis der stad Hoorn , Gebr. Vermande, Hoorn.
- Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861
- Velius, Th., Kroniek van Hoorn , 2007, hertaling derde druk uit 1648, publicatiestichting Bas Baltus, Hoorn.

Illustratie
- Collectie Westfries Museum

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 31-10-2017.