Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Allard Merens (1663-1716)

Personalia

Allard Merens
Allard Merens

Geboren: 9 juni 1663 in Hoorn.
Overleden: 12 juni 1716 in Hoorn.
Zoon van: mr. Meyndert Merens en Brigitta de Groot.
School: Latijnse school in Hoorn, ingeschreven 13-4-1674.
Studie: rechten te Leiden, ingeschreven 26-9-1681
Promotie: 28 juni 1684 te Harderwijk.
Getrouwd: 12 september 1684 in Hoorn met Cornelia van Neck, geboren op 29 februari 1664 in Hoorn, overleden op 12 april 1728 in Hoorn. Uit dit huwelijk elf kinderen, onder wie Lucas Merens. Zes kinderen stierven jong.
Woonplaatsen: Hoorn en Den Haag.

Functies in Hoorn:
- Commissaris van de kleine gerechtszaken, 1684.
- Schepen, 1685.
- Lid van de vroedschap, 1686-1716.
- Huiszittenarmenvoogd, 1686-1688.
- Gasthuisvoogd, 1689.
- Burgemeester, 1690, 1692, 1697.
- Kerk- en armenvoogd, 1691.
- Weesmeester, 1693, 1702.
- Kerkmeester, 1696, 1700-1701.
- Bewindhebber V.O.C., kamer Hoorn, 1712-1716.

Bovenlokale functies:
- Lid van de Gecommitteerde Raden van Holland in het Noorderkwartier, 1694-1696,1698-1700, 1706-1709.
- Gedeputeerde in de Staten-Generaal, 1703-1706 en 1709-1712.
- Gecommitteerde in de Raad van State,1706-1709 en 1712-1715.
- Gecommitteerde in de Generaliteitsrekenkamer, 1715-1716.

Levensloop

De jonge Allard

Allard is genoemd naar zijn grootvader van moederszijde, de Hoornse regent Allard de Groot. In zijn jeugd woonde hij in Hoorn. Vanaf 13 april 1674 bezocht hij daar de Latijnse school. De zomervakanties heeft hij ongetwijfeld vaak op de hofstede Groenewoud bij Baarn doorgebracht, die tot de dood van zijn moeder in 1686 in het bezit van de familie is gebleven. Als jongen van veertien jaar mocht hij als zoon van de burgemeester samen met de zoon van een collega van zijn vader de eerste nieuwe bomen planten aan de Drieboomlaan, die in dat jaar verbreed was en vervolgens van twee rijen van honderd linden werd voorzien. Op achttienjarige leeftijd liet hij zich inschrijven aan de universiteit van Leiden om daar rechten te studeren. Bij deze gelegenheid maakte hij zich twee jaar ouder dan hij was. De reden hiervan is niet bekend. Binnen drie jaar promoveerde hij. Dat gebeurde echter niet in Leiden, maar in Harderwijk. Vele studenten bewandelden deze weg om de eenvoudige reden dat promoveren daar gemakkelijker was. Allard had blijkbaar haast om zijn studie te voltooien. Hij wilde namelijk trouwen. Nog geen drie maanden na zijn promotie trad hij in het huwelijk met zijn achternicht Cornelia van Neck. Het maken van een 'grand tour', zoals zijn vader en grootvader gedaan hadden, schoot erbij in.

Ambten en functies

Allard heeft zijn verdere leven een zeer groot aantal stedelijke, gewestelijke en landelijke ambten bekleed. In het jaar dat hij promoveerde, kreeg hij al zijn eerste ambt toebedeeld, hij werd commissaris van de kleine gerechtszaken in zijn geboortestad. Twee jaar later werd hij tot lid van de vroedschap in Hoorn benoemd. Daardoor kon hij ook hogere ambten bekleden. De vroedschap was in die dagen verdeeld in twee facties, groeperingen waarvan de leden onderling elkaar de hand boven het hoofd hielden en de baantjes toespeelden. Leider van de ene factie was François van Bredehoff, die als vertrouweling van prins Willem III een enorme machtspositie opgebouwd had. Allard hoorde, net als zijn vader voorheen, tot de tegenpartij. Toch werd hij driemaal tot burgemeester gekozen. De eerste keer was hij nog maar zesentwintig jaar. In 1698 vertegenwoordigde hij Hoorn in de Staten van Holland. Vier jaar later werd hij afgevaardigde van Hoorn bij de Gecommitteerde Raden van Holland en het Noorderkwartier. Toen hij deze functie voor de derde maal bekleedde, werd hij gekozen om namens Hoorn het gewest Holland te vertegenwoordigen in de Staten-Generaal in Den Haag. Met het aanvaarden van dit ambt trad hij in de voetsporen van zijn vader, die van 1670 tot 1673 gedeputeerde in de Staten-Generaal was. De ambtstermijn in dit college was drie jaar, daarna kwam Hoorn in aanmerking voor een zetel in een van de twee andere hoge bestuurscolleges in Den Haag, te weten de Raad van State of de Generaliteitsrekenkamer. Het was gewoonte geworden dat omwille van de continuïteit een gedeputeerde na afloop van zijn ambtstermijn doorschoof naar een volgend college. Zo is Allard vanaf 1703 tot zijn dood in 1716 steeds lid geweest van een van de drie colleges: tweemaal in de Staten-Generaal, tweemaal in de Raad van State en eenmaal in de Generaliteitsrekenkamer. Haast al deze jaren was de Republiek der Verenigde Nederlanden verwikkeld in een oorlog tegen Frankrijk en Spanje, de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). Als lid van de Staten Generaal of de Raad van State was Allard medeverantwoordelijk voor de oorlogspolitiek of de uitvoering ervan.

De Spaanse Successieoorlog

In 1700 was de Spaanse koning overleden en werd de kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV tot koning van Spanje benoemd. De Oostenrijkse Habsburgers maakten ook aanspraak op die troon. De Republiek der Verenigde Nederlanden zag de Spaanse Nederlanden het liefst in Oostenrijkse handen als bufferstaat tegen het machtige Frankrijk. In 1702 overleed stadhouder Willem III, die tevens koning van Engeland was. Daarmee brak het tweede stadhouderloze tijdperk aan. Onder leiding van raadpensionaris Antonie Heinsius zetten de Staten-Generaal de politiek van Willem III voort: in mei 1702 verklaarden Oostenrijk, Engeland en de Nederlanden de oorlog aan Frankrijk en Spanje. Opperbevelhebber werd de Engelsman John Churchill, de hertog van Marlborough. Twee Staatse bevelhebbers, Menno van Coehoorn en Jacob van Wassenaer Obdam, stonden hem terzijde. Namens de Staten-Generaal bevond zich een 'gedeputeerde te velde' bij de troepen. Doel van het plan van Marlborough, the Great Design of het Grote Desseyn genaamd, was de inname van Antwerpen door een combinatie van een belegering en een veldslag. Van meet af aan was de samenwerking tussen de drie bevelhebbers ronduit slecht.

Op 30 juni 1703 werden de troepen van Van Wassenaer Obdam bij Eeckeren, in de buurt van Antwerpen, aangevallen door de Fransen. Deze dacht dat zijn korps van alle kanten omsingeld en reddeloos verloren was. Met enige ruiters wist hij te ontkomen. De volgende ochtend bereikte hij Breda. Van daar uit zond hij onmiddellijk bericht aan de Staten Generaal. Nog dezelfde avond kwamen de Staten-Generaal en de Raad van State in vergadering bijeen. Besloten werd een driemanschap met grote bevoegdheden naar het leger te sturen. Allard maakte deel uit van deze commissie. Als gedeputeerde van het gewest Holland was hij de leider van de missie. Onderweg naar het zuiden kwamen de heren een bode tegen die een ander verhaal vertelde: Dankzij onder meer een onderbevelhebber van Van Wassenaer Obdam hadden de troepen standgehouden. Het driemanschap keerde terug naar Den Haag om nieuwe instructies te halen en vertrok dezelfde dag weer naar het zuiden. Op 4 juli kwamen ze per jacht aan bij het fort Lillo, aan de Schelde. Daar voegde zich de dood gewaande 'gedeputeerde te velde' als vierde man bij de commissie. Deze vertelde dat de staatse troepen grote verliezen hadden geleden: meer dan honderd gesneuvelden en meer dan duizend gewonden. Aan de bijeenkomst op de volgende dag met de generaals nam Van Wassenaer Obdam niet deel. Hij werd de volgende dag apart ontvangen. Ter wille van het aanzien mocht hij nog drie dagen het bevel voeren, maar daarna moest hij zich naar Den Haag begeven om verantwoording af te leggen. Op 6 juli schreef Allard een brief aan de raadpensionaris, waarin hij de vrees uitte dat 'het groote desseyn geen effect ' zou 'sorteren', gezien de slechte verhoudingen tussen de bevelhebbers. Op 9 juli vond in Bergen op Zoom een conferentie plaats. De commissie met Allard Merens aan het hoofd sprak daar met de hertog van Marlborough, de generaals en hoofdofficieren over de uitvoerbaarheid van de plannen.

Merens' vrees bleek waarheid te worden: de rest van de campagne van dat jaar was een tegenvaller, doordat de samenwerking tussen Marlborough en de staatse bevelhebbers slecht bleef. De vrede werd pas getekend in 1713 in Utrecht. In 1715 had Allard Merens als lid van de Generaliteitsrekenkamer nog te maken met de nasleep van de oorlog. De Rekenkamer moest het besluit uitvoeren om de betalingen te staken vanwege de deplorabele financiële toestand.

V.O.C. bewindhebberschap

In 1712 toonde Allard belangstelling voor een vrijgekomen plaats in het bestuur van de kamer Hoorn van de V.O.C. Hem lukte, wat bij zijn vader mislukt was: hij werd tot bewindhebber benoemd. Om voor deze functie in aanmerking te komen moest men hoofdparticipant zijn, dat wil zeggen minstens ƒ 3000 aan aandelen in de kamer Hoorn bezitten. Een gelijk aantal bewindhebbers en hoofdparticipanten nomineerden drie kandidaten, uit wie de vier zittende burgemeesters een nieuwe bewindhebber kozen. Al in de tijd van Allards vader, Meyndert Merens, maakten sommige personen, vrij openlijk gebruik van een truc om hun kansen op een bewindhebberschap te vergroten. Ze zetten aandelen voor korte tijd op naam van stromannen. Deze waren dan hoofdparticipanten en konden daardoor invloed uitoefenen op de nominatie. Nog mooier was het als een stroman op de nominatielijst kwam. Deze zou nooit door de burgemeesters gekozen worden. Allards vader verfoeide deze praktijk. Saillant detail is dat in 1712 een man tot de genomineerden behoorde, die nooit een ambt in de stad bekleed had of later zou bekleden. Dat het een bekende van Allard was, blijkt uit het feit dat deze man in 1716 de impost op het begraven van Allard Merens betaalde. Zou Allard gebruik hebben gemaakt van de truc, waar zijn vader zo fel op tegen was geweest?

Privéleven

Allard heeft met zijn gezin vanwege zijn functies in de landelijke politiek vanaf 1703 of 1704 in Den Haag gewoond. Hij betrok er huurhuizen. In 1712 was hij gevestigd op de Nieuwe Uitleg tegenover het geschutshuis, in 1715 in de Wagenstraat.

In Den Haag zijn de twee jongste kinderen geboren. Vier kinderen, onder wie de twee jongste zijn er gestorven. Drie van hen zijn begraven in het familiegraf van Adriaen Wenssen, de vader van zijn oma van moederszijde, die raadsheer van de Hoge Raad in Den Haag was geweest.

De regentengeslachten in de achttiende eeuw hechtten grote waarde aan status. Ze vonden het belangrijk aan te tonen dat hun familie van oudsher tot de elite behoorde. Dit gold ook voor Allard. Hij heeft een genealoog in de arm genomen die de stamboom oppoetste. Deze liet de oudst bekende voorvader van Allard, Jan Taemsz, afstammen van een roemrijk Venetiaans geslacht, hetgeen hoogst onwaarschijnlijk is. Allard wilde ook met zijn familiewapen pronken. Hij veranderde het wapen van zijn vader in een wapen met vier kwartieren en een hartschild, voegde griffioenen als wapendragers toe en voorzag de helm boven het wapen van een kroon. Opmerkelijk is dat er geen portret van hem alleen bestaat. Zijn nazaten hebben uit een regentenstuk of een ander groepstafereel zijn afbeelding laten uitsnijden en ingelijst. Blijkbaar was hij er door zijn drukke werkzaamheden niet toe gekomen om privé voor een schilder te poseren.

Allard Merens stierf in 1716 op drieënvijftigjarige leeftijd in Hoorn. In dat jaar was hij zowel in Den Haag als in Hoorn nog volop bezig met het vervullen van een hoge functie.

Voor familierelaties: zie familie Merens.

 

Bronnen
Hoofdbron
- Merens, Allard, 1957, De Geschiedenis van een Westfriese regentenfamilie. Het geslacht Merens , Martinus Nijhoff, 's- Gravenhage, hoofdstuk 5, pp.141-164.

Verdere bronnen
- Kooijmans, Dr. L., 1985, Onder regenten. De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780 , Hollandse historische reeks IV, De Bataafsche Leeuw.
- Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861

Illustratie
- Westfries Museum.

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 4-2-2015.