Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

De Venen-, alias Venuslaan te Hoorn

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 5e jaargang, 1950, No. 1, pagina 7-10.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Drs. Chr. C. Vlam.

Gedurende het laatste kwart van de zestiende en het grootste deel van de zeventiende eeuw ontstond nabij Hoorn een stelsel van fraaie wandelwegen. Gedeeltelijk door aanleg, maar vooral door verbetering en beplanting van bestaande wegen vormde zich in deze jaren het complex begrensd door de stadssingels, de Koepoortsweg, de in 1668 aangelegde Nieuwe Weg, de Holenweg en de Venenlaan, waartussen zich de Twee- en Drieboomlaan bevonden1 (zie afb.). Aan enige dezer wegen bevonden zich destijds „veele Tuinen en Lusthoven, welker getal op weinig min dan vierhonderd begroot wordt”, zoals de schrijver van de „Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden” in het midden der achttiende eeuw constateert. En Feyken Rijp, schrijver-drukker van de „Chronyk van de vermaarde Zee- en Koopstad Hoorn” (1706) noemt de Koepoortsweg „vermakelijk als weynig Wandelwegen bekend zijn, vermits sy van een behoorlijke breete, aan de eene zijde met playsierige Lusthuysen en Woningen, aan de andere met aangename wel beplante Tuynen en Gras-rijke Beemden besoomt is” en verwondert zich dat niemand deze „Wandel-dreef” met „vloeyende Digt-maat de Nakomelingen heeft voor gesongen”, gelijk in die tijd zo vele poëtische ontboezemingen aan schone scheppingen van kunstmatig natuurschoon werden gewijd. Hij kon slechts hopen dat „yemand, belust tot Helden-trant, of vernibbelt op Liersang” zou verschijnen, die 't verwaarloosde „met dubbelen woeker” zou inhalen.

Aan deze verzuchting werd inderdaad in 1728 voldaan; 't hiaat in de „locale” poëzie werd opgevuld door de verschijning van „Hoorns vermaeckelijcke Buytensingels” door R. Westerop, een breedvoerig „in digtmaat” geschreven werk, waarvan de fraaie kopergravures onze belangstelling ten volle waard zijn. Doch eerder reeds, zij het minder breedsprakig, vinden we de schoonheid der wandelwegen vermeld in een passage van het (autobiografisch?) herdersspel „Daphne” (ca. 1630) van Mr Johannes Beets2, waar de herder Tyter aan de herderin Laura antwoordt:

„Doch wij zijn met ons Laen en Cingels wel verzaet,
Want d'eene Cingel ziet men met drie regels boomen:
De twee-boomd dicht hierbij is bosch gewijs volkomen,
Gelijk de Venus-Laen aen d'een zij dicht beplant,
Van waer men door een Laen weêr gaet rontom het Landt”,

waarin we licht de Drie-, Tweeboomlaan, Venenlaan en Holenweg herkennen. Evenwel: Venus-laan en niet Venenlaan schrijft Beets.
Dat sprake is van deze laan in de liederen van de talloze liedboekjes, die in de loop van de 17e en 18e eeuw in West-Friesland verschenen, behoeft ons niet te verwonderen. Vele zijn de liederen die de schoonheid en voortreffelijkheid van een bepaalde streek of stad beschrijven, dikwijls, naar onze smaak, met een ietwat tè locaal-patriotistische ijver. Een gezang in „'t Hoorns vermaeck'lijk Treck-schuytje” (1663) zegt van Hoorn:

„Als 't Gras bij d'hooge Populier,
Der kaarsen vlam bij 't Zonne-vyver;
Zijn al de Steên bij Hooren”.

En, nadat achtereenvolgens Den Haag, Delft, Haarlem en Leiden minder gunstig zijn afgeschilderd wordt gewezen op de schone Hoornse wandelpaden:

„Beschou maar onze linden-daal3
Die in geneugte altemaal
Gaat ver en hoog te booven;
Die Tempe
4 zelve maakt verzuft
En Daphne mede heel verpuft
Met Alcinoüs
5 Hooven.

Behalve onze Venuslaan
En all' de andere wandel-paân;
Die onze stad besluiten...”

Wederom is hier sprake van een Venus-laan. De tekenaar der kaart van 1775 (zie afb.) schrijft Veneslaan, de schrijfwijze die we ook heden nog voor de verdwijnende volksnaam van deze laan zouden verkiezen. Echter, archiefstukken van Hoorn vermelden, sedert het archivalisch voorkomen van de naam in de zeventiende eeuw, uitsluitend Venenlaan. Symon Jansz. Grootebroek verkoopt in 1655 een „thuin off boomgaert met 't gene daer op geplant ende getimmert is” gelegen „aende Zuitsyde vande Venenlaen...„6 Een verzoekschrift van de houders der „Sla Tuynen”, wederom aan de „Venen Laen”, van omstreeks 1700 (?), geeft ons tevens een kijkje op de toestand aldaar. Het blijkt dat iets minder dan de helft der grond gebruikt wordt voor genoemde „Sla Tuynen”, „niet om pleysier maer om de kost daer op te winnen”, in tegenstelling tot de „burgers Tuynen”, welke gemeenlijk kleiner zijn.7

Hoorn en de Banne van Hoorn, met de aldaar gelegen singels en lanen
Hoorn en de Banne van Hoorn, met de aldaar gelegen singels en lanen
Foto naar fragment van een oude kaart

Is de schrijfwijze in „officiële” stukken Venenlaan, de naam Venuslaan schijnt verbonden te zijn aan de arcadiserende poëzie. In deze 17de-eeuwse mode-poëzie, waarin, gelijk de boven aangehaalde fragmenten tonen, de handelende personen verschijnen als herders en herderinnen met schone namen als Chloë, Cloris, Tyter, Mopsus, Daphne etc., de elementen van het landschap veelal ontleend zijn aan 't oude Griekenland (o.a. Arcadië) en tevens geput wordt uit het arsenaal der Griekse mythologie, werd de Veneslaan tot Venus-laan.

In de volksmond was waarschijnlijk de Venne-8 of Venenlaan (= laan van het ven of veen) via Venenslaan tot Veneslaan geworden. Waarschijnlijk doelt dan ook Beets, in zijn „Liedt-boeck”, vertellende hoe hij „buiten de Koepoort” gekweld werd door Cupido, op deze volksnaam, waaraan hij, door het eveneens in die tijd geliefde woordspel, een arcadische wending gaf:

„'t Was aen de wegh, d i e  m e n  n o e m t Venuslaen...”9

Ongetwijfeld was de fraaie, en toentertijd wèl onderhouden laan met zijn twee regels lindebomen, zijn sloten en brugjes, zijn tuinen en theekoepels de naam Venus-laan niet onwaardig. Dat de nu ontluisterde „Wandel-dreef” zijn naam is blijven ontlenen aan het ietwat grauwe veen is misschien niet geheel ontoepasselijk...

Rest ons, 250 jaar na Feyken Rijp, de opwekking dat iemand eens — liefst zonder „Helden-trant” — aan de oude en grotendeels vergane glorie der „wandel-paân” een studie moge wijden: de literatuur en vooral het oud-archief der gemeente Hoorn verschaft daartoe menig interessant gegeven en toepasselijke illustratie.

Drs. Chr. C. Vlam

1 De namen der wegen zijn volgens tegenwoordig gebruik; de oude spelling Venenlaan voor het sedert de 18e eeuw gebruikelijke Veenenlaan is echter gehandhaafd.
De dijkdoorbraak van 1675 was oorzaak van het afsterven of kwijnend worden van vele bomen; geleidelijk werden de lanen herbeplant. De Drieboomlaan kreeg toen twee regels bomen i.p.v. drie.
2 Mr Johannes Beets, „Ordinaris Advokaat van 't Ed: Mog: Collegie ter Admiraliteit van West-Friesland en het Noorder-quartier” te Hoorn.
3 Linden-daal: Drieboomlaan.
4 Tempe: Dal in Thessalië, „schoon oord”.
5 Alcinoüs: Koning der Phaeaken (Homerus' Odyssea).
6 Oud-archief Hoorn, nr. 3136.
7 Oud-archief Hoorn, nr. 2580.
8 Oud-archief Hoorn, nr. 2195.
9 Spatiëring van de schr.